ECLI:NL:PHR:2010:BN7950
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenvonnis in procedure Waterleidingwet
Deze zaak betreft een procedure tussen Brabant Water en Tilburgsche Waterleidingmaatschappij (TWM) over de vaststelling van de lijst van burgerrechtelijke rechten en verplichtingen en de schadeloosstelling in het kader van de Waterleidingwet.
Brabant Water had een tussenvonnis van de rechtbank aangevochten door middel van een cassatieberoep. De Hoge Raad onderzocht ambtshalve de ontvankelijkheid van dit beroep, waarbij werd vastgesteld dat de Waterleidingwet geen cassatieberoep tegen tussenvonnissen toestaat, anders dan tegen eindvonnissen zoals bedoeld in artikel 36 en Pro 40 van deze wet.
De Hoge Raad benadrukte dat de wetgever een bijzondere, versnelde rechtsgang heeft beoogd voor procedures op grond van de Waterleidingwet, vergelijkbaar met de Onteigeningswet, waarbij rechtsmiddelen tegen tussenvonnissen zijn uitgesloten om de voortgang van de procedure niet te belemmeren.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad inhoudelijk de geschilpunten over de toepasselijkheid van de schadeloosstellingsregeling en de betekenis van de concessie die TWM vóór 1971 had, en verwierp de klachten van Brabant Water over de interpretatie van de wet en de motivering van de rechtbank.
Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van Brabant Water niet-ontvankelijk, waarmee de uitspraak van de rechtbank in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Brabant Water tegen het tussenvonnis is niet-ontvankelijk verklaard.