ECLI:NL:PHR:2010:BO2880
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis en hoorplicht
De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene, zonder vaste woon- of verblijfplaats, verscheen niet op de zitting en gaf via zijn zoon aan niet gehoord te willen worden. De rechtbank verleende de voorlopige machtiging voor een periode tot en met 29 december 2010.
In cassatie werd onder meer betoogd dat de rechtbank zich niet bevoegd had geacht, dat betrokkene niet op de juiste wijze was opgeroepen en dat de hoorplicht was geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank bevoegd was, dat de oproeping passend was gezien de omstandigheden van betrokkene zonder vaste verblijfplaats, en dat de rechtbank terecht aannam dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen. De hoorplicht was hierdoor niet geschonden.
Daarnaast werd de geneeskundige verklaring en de vaststelling van de stoornis en het gevaar als voldoende gemotiveerd beoordeeld. De Hoge Raad vernietigde echter het gedeelte van de beschikking waarin de duur van de voorlopige machtiging was vastgesteld tot 29 december 2010, omdat de wet maximaal zes maanden na dagtekening toestaat. De Hoge Raad stelde de geldigheidsduur vast tot 28 december 2010 en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging vast tot 28 december 2010 en verwerpt het beroep voor het overige.