ECLI:NL:PHR:2011:BN8719
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de Nederlandse Successiewet en het Besluit voorkoming dubbele belasting in het licht van het vrije kapitaalverkeer binnen de EU
Belanghebbende, erfgenaam van een in België woonachtige erflater met Nederlandse nationaliteit, maakte aanspraak op voorkoming van dubbele belastingheffing over aandelen in een Nederlandse vennootschap die als onroerendgoedlichaam wordt aangemerkt. De Nederlandse belastingdienst verleende geen voorkoming voor deze aandelen vanwege de fictieve woonplaats van de erflater in Nederland en de toepassing van het recht van overgang.
De Rechtbank te Breda oordeelde dat de Nederlandse regeling niet in strijd is met het gemeenschapsrecht, mede gelet op het arrest Block van het HvJ EG, waarin werd bevestigd dat lidstaten een zekere autonomie hebben in hun belastingstelsel en niet verplicht zijn dubbele belasting via nationale aanpassingen te voorkomen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de Nederlandse regeling in strijd is met artikel 56 EG Pro-Verdrag, omdat de aandelen in onroerendezaaklichamen onterecht als onroerend vermogen worden aangemerkt, wat leidt tot dubbele belasting zonder voorkoming. De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukt dat successies kapitaalverkeer vormen en dat de Nederlandse regeling een spiegelbeeld is van de buitenlandse belastingplicht, waarbij geen ongelijke behandeling tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties wordt vastgesteld.
De conclusie verwijst naar jurisprudentie van het HvJ EG (Barbier, Van Hilten-van der Heijden, Arens-Sikken, Eckelkamp) die aangeeft dat nationale maatregelen die leiden tot waardevermindering van nalatenschappen in grensoverschrijdende situaties een beperking van het vrije kapitaalverkeer kunnen vormen. In dit geval is echter geen sprake van een dergelijke verboden beperking, mede omdat de dubbele belasting voortkomt uit de gelijktijdige toepassing van nationale wetgevingen en het ontbreken van harmonisatie of bilaterale verdragen.
De conclusie adviseert de Hoge Raad het beroep ongegrond te verklaren en bevestigt dat de Nederlandse regeling, ondanks de kwalificatieverschillen tussen lidstaten, niet in strijd is met het EU-recht.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de Nederlandse regeling niet in strijd is met het EU-recht inzake het vrije kapitaalverkeer.