ECLI:NL:PHR:2007:AV2318
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het recht van overgang en aftrek van overbedelingsschulden in het licht van het Europese recht
Deze zaak betreft de vraag of het Nederlandse recht van overgang, dat successierecht heft over binnenlandse bezittingen van niet-ingezetenen, in strijd is met het Europese recht doordat het aftrek van overbedelingsschulden bij ouderlijke boedelverdeling niet toestaat. De belanghebbende, weduwe van een in Italië wonende erflater, betoogt dat zij bij de heffing van het recht van overgang rekening moet kunnen houden met deze schulden, zoals bij binnenlandse erflaters wel het geval is.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de historie en ratio van het recht van overgang, dat oorspronkelijk bedoeld was om bezit van Nederlands onroerend goed door vreemdelingen te belasten. Het recht van overgang wordt thans beschouwd als een pendant van het successierecht, gebaseerd op het situsbeginsel, en belast met een progressief tarief zonder vrijstellingen. De Hoge Raad verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Barbier, waarin werd geoordeeld dat het niet in aanmerking nemen van leveringsverplichtingen bij overgangsbelasting in strijd is met het vrije kapitaalverkeer.
De Hoge Raad concludeert dat het recht van overgang als buitenlandse belastingplicht voor het successierecht moet worden opgevat en dat aftrek van overbedelingsschulden geen persoonsgebonden factor is, maar een objectbepalende factor die bij de heffing in aanmerking moet worden genomen. Gezien de jurisprudentie van het HvJ EG moet Nederland de belanghebbende niet zwaarder belasten dan indien de erflater binnenlands was geweest, en dient de waarde van de overbedelingsschulden te worden betrokken bij de heffingsgrondslag. De zaak wordt verwezen naar de feitenrechter voor de waardering van deze schulden en toepassing van de juiste formule voor de heffing.
Tenslotte bespreekt de Hoge Raad de problematiek van het verrekeningsstelsel in de woonstaat Italië, dat de fiscale voordelen van een lagere Nederlandse heffing kan wegvagen, en de vraag of Nederland daaraan rekening moet houden. De Hoge Raad acht prejudiciële vragen aan het HvJ EG nodig om deze complexe fiscale en Europese rechtsvragen definitief te beantwoorden.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat aftrek van overbedelingsschulden bij het recht van overgang EG-rechtelijk vereist is en verwijst de zaak terug naar de feitenrechter.