ECLI:NL:PHR:2011:BN8726
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de Nederlandse Successiewet en het Besluit voorkoming dubbele belasting in het licht van het vrije kapitaalverkeer binnen de EU
Belanghebbende, erfgenaam van een in België wonende Nederlandse erflater, kreeg successierechten opgelegd door zowel Nederland als België over aandelen in een Nederlandse onroerendezaaklichaam. Nederland verleende geen voorkoming van dubbele belasting voor deze aandelen vanwege een specifieke bepaling in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, die geen vermindering toestaat voor bezittingen die onder het recht van overgang vallen.
Belanghebbende stelde dat deze regeling in strijd was met artikel 56 van Pro het EG-Verdrag, dat het vrije kapitaalverkeer binnen de EU beschermt. De Rechtbank oordeelde dat de regeling niet strijdig was met het gemeenschapsrecht, mede omdat de heffing van successierechten niet geharmoniseerd is en lidstaten een zekere autonomie hebben.
In cassatie werd dit oordeel bevestigd. De Hoge Raad overwoog uitgebreid de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder arresten over het begrip kapitaalverkeer en de toepassing van het situsbeginsel. De conclusie is dat de Nederlandse regeling geen verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt, ondanks de dubbele belastingheffing en het kwalificatieverschil tussen Nederland en België over de aard van de aandelen. Harmonisatie of bilaterale verdragen zijn noodzakelijk om dergelijke dispariteiten op te heffen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.