ECLI:NL:PHR:2011:BO7114
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling nauwe persoonlijke betrekking en erkenning buitenlands geboorteakte
Deze zaak betreft een verzoek op grond van art. 1:204 lid 1 onder Pro e BW om vast te stellen dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestond tussen een man en een kind ten tijde van de erkenning in 1996. Tevens werd verzocht om verklaring voor recht dat de buiten Nederland opgemaakte geboorteakte met erkenning vatbaar is voor opname in het Nederlandse register van de burgerlijke stand.
De rechtbank Arnhem verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar de rechtbank 's-Gravenhage, die het verzoek afwees. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de man onvoldoende bewijs had geleverd van een nauwe persoonlijke betrekking ten tijde van de erkenning. Het hof motiveerde dat de overgelegde verklaringen onvoldoende concreet waren en dat het bewijs zich vooral richtte op latere jaren.
De man stelde in cassatie dat het hof onterecht het bewijsmoment beperkte tot het tijdstip van erkenning en dat het hof art. 8 EVRM Pro had geschonden door bewijs te verlangen. De Hoge Raad oordeelde dat het toetsmoment terecht het tijdstip van erkenning is en dat het hof niet meer dan aannemelijkheid heeft verlangd. De motivering van het hof was voldoende en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van een nauwe persoonlijke betrekking ten tijde van de erkenning.