ECLI:NL:PHR:2011:BO7537
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over onrechtmatigheid en kostenvergoeding bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting
In deze zaak staat centraal de vraag of de inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld bij het opleggen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2008, die gebaseerd was op een incidentele dividenduitkering in 2007. Belanghebbende stelde dat de inspecteur had moeten weten dat het dividend eenmalig was en daarom niet als basis voor de voorlopige aanslag mocht dienen. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld en veroordeelde hem tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in de bezwaarfase had gemaakt.
Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de inspecteur onvoldoende rekening had gehouden met het incidentele karakter van het dividend en de eenmalige tariefsverlaging in 2007. Volgens het hof had de inspecteur meer zorgvuldigheid moeten betrachten en had hij het risico van een te hoge aanslag moeten vermijden. De inspecteur stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad overwoog dat de inspecteur bij het opleggen van een voorlopige aanslag een zekere marge toekomt, mede vanwege het massale en geautomatiseerde karakter van de voorlopige aanslagregeling. Het uitgangspunt is dat een voorlopige aanslag wordt gebaseerd op de meest recente belastingaanslag, met mogelijkheid tot benaderende correcties. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door niet individueel te onderzoeken of sprake was van een incidentele bate. Ook stelde de Hoge Raad dat kostenvergoeding bij bezwaar alleen toekomt indien sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, hetgeen hier niet is vastgesteld. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof dat de inspecteur niet onrechtmatig heeft gehandeld wordt bevestigd.