ECLI:NL:PHR:2011:BO9554
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Terugvordering en aanvullende schadevergoeding bij onnodige en ontijdige onteigening door overheid
De zaak betreft een vordering van eisers tot teruglevering van onteigend perceel dan wel aanvullende schadevergoeding wegens ontijdige of onnodige onteigening door de gemeente Eindhoven ten behoeve van de Staat. Eisers beroepen zich op artikel 61 Onteigeningswet Pro (Ow), dat terugvordering mogelijk maakt indien binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het onteigeningsvonnis geen aanvang is gemaakt met het werk waarvoor onteigend werd.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat binnen de termijn geen materiële werkzaamheden waren verricht die gericht waren op de bestemmingsrealisatie, en dat de gemeente als onteigenende partij in staat was de oorzaken van de vertraging uit de weg te ruimen. De Staat werd niet als onteigenende partij aangemerkt en kon niet op grond van art. 61 Ow Pro worden aangesproken tot teruglevering. Wel werd geoordeeld dat de Staat en de gemeente onrechtmatig hebben gehandeld jegens eisers door het onteigende perceel vlak voor het verstrijken van de termijn aan de Staat over te dragen, waardoor eisers hun terugvorderingsrecht verloren.
De Hoge Raad behandelt onder meer de vraag jegens wie de vordering tot teruglevering kan worden ingesteld, de mogelijkheid tot vereenzelviging van de gemeente en de Staat voor toepassing van art. 61 Ow Pro, de aard van de werkzaamheden die als aanvang van het werk gelden, en de rechtspositie van eisers bij overdracht van het onteigende aan derden. Tevens wordt ingegaan op de ratio en wetsgeschiedenis van art. 61 Ow Pro en de bescherming van de onteigende partij.
De Hoge Raad bevestigt dat terugvordering ex art. 61 Ow Pro alleen kan worden ingesteld tegen de onteigenende partij, en dat vereenzelviging van verschillende overheden slechts onder zeer bijzondere omstandigheden mogelijk is. Voor de aanvang van het werk gelden alleen materiële werkzaamheden op of aan het onteigende, niet voorbereidende werkzaamheden. Indien het onteigende aan derden is overgedragen, kan de onteigende partij zich niet rechtstreeks op art. 61 Ow Pro beroepen jegens die derden, maar kan wel op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) schadevergoeding vorderen wegens het onrechtmatig handelen van de onteigenende overheid. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en fair play door overheden bij onteigeningen en grondtransacties.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat terugvordering ex art. 61 Ow alleen tegen de onteigenende partij kan worden ingesteld en dat onrechtmatig handelen van gemeente en Staat leidt tot aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW.