ECLI:NL:PHR:2011:BO9555
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering onteigende grond en aanvullende schadevergoeding bij non-usus volgens artikel 61 Onteigeningswet
Deze zaak betreft een cassatieberoep over de toepassing van artikel 61 van Pro de Onteigeningswet (Ow), dat de onteigende partij bescherming biedt tegen ontijdige of onnodige onteigening. Eisers vorderen teruglevering van onteigende percelen of aanvullende schadevergoeding wegens het niet binnen drie jaar aanvang maken met het werk waarvoor onteigend is.
De rechtbank en het hof oordeelden dat binnen de termijn van drie jaar geen materiële werkzaamheden gericht op bestemmingsrealisatie zijn verricht, maar slechts voorbereidende werkzaamheden zoals landmeetkundig onderzoek en bodemonderzoek. Het hof stelde dat terugvordering ex artikel 61 Ow Pro alleen kan worden ingesteld tegen de onteigenende partij, hier de gemeente, en niet tegen de Staat die de grond later verkreeg. De eisers hadden geen in rechte te respecteren belang bij teruglevering omdat het perceel inmiddels is gebruikt voor de beoogde bestemming en een nieuwe onteigening waarschijnlijk is.
De Hoge Raad bevestigt dat vorderingen op grond van artikel 61 Ow Pro alleen tegen de onteigenende partij kunnen worden ingesteld, tenzij zeer bijzondere omstandigheden tot vereenzelviging van partijen leiden. Voorbereidende werkzaamheden worden niet als aanvang van het werk beschouwd. Daarnaast kan onrechtmatig handelen van de onteigenende partij jegens de onteigende leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro. De zaak benadrukt de zorgplicht van overheden om belangen van onteigenden te beschermen, ook bij complexe grondruilconstructies tussen overheden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat terugvordering ex artikel 61 Ow alleen tegen de onteigenende partij kan worden ingesteld en dat voorbereidende werkzaamheden niet als aanvang van het werk gelden.