ECLI:NL:PHR:2011:BQ7061
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontheffing uit het ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid ouders door geloofsovertuiging
Uit het huwelijk van de ouders zijn acht kinderen geboren, waaronder een dochter die sinds 2006 onder toezicht staat en sinds 2007 in een netwerkpleeggezin verblijft vanwege onvoldoende borstvoeding en het weigeren van bijvoeding door de ouders uit geloofsovertuiging. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht ontheffing van het ouderlijk gezag over de dochter, wat door de rechtbank en het hof werd toegewezen. Het hof oordeelde dat de ouders ongeschikt en onmachtig zijn het gezag uit te oefenen, omdat zij beslissingen uitsluitend baseren op goddelijke ingevingen en niet adequaat reageren op spoedeisende situaties, wat een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de dochter opleverde.
De ouders hebben sinds september 2007 vrijwel geen contact meer met de dochter, en er is geen perspectief op terugplaatsing binnen afzienbare tijd. Het pleeggezin biedt een veilige en gestructureerde opvoedingssituatie waarin de dochter zich goed ontwikkelt. De ouders willen wel weer zelf voor de dochter zorgen, maar brengen geen veranderingen in hun leefwijze aan. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn onvoldoende om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden, wat de wettelijke grondslag vormt voor ontheffing.
De bijzondere curator stelde cassatieberoep in, maar de Hoge Raad verwierp de klachten over motivering, samenhang van gezinsbelangen en schending van hoor en wederhoor. De Hoge Raad bevestigde dat ieder kind afzonderlijk beoordeeld moet worden en dat het oordeel van het hof begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de ontheffing definitief is bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontheffing van het ouderlijk gezag over de dochter.