ECLI:NL:PHR:2011:BQ8880

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01728
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor moord met voorbedachte raad in Hengelo

Op 28 en 29 september 2004 overleed het slachtoffer in Hengelo na gewelddadige handelingen door de verdachte. Het hof Arnhem stelde vast dat verdachte het slachtoffer met kracht tegen het gezicht had gestompt en geslagen, en andere gewelddadige handelingen had verricht, waardoor het slachtoffer overleed. De doodsoorzaak was zuurstoftekort door smoren, niet direct door de letsels aan hoofd en hals.

De verdachte voerde aan dat het slachtoffer van de trap was gevallen, maar dit werd door het hof als ongeloofwaardig verworpen. Diverse getuigenissen, het bloedspoorpatroononderzoek en deskundigenrapporten ondersteunden de conclusie dat verdachte het slachtoffer met opzet en na kalm beraad had gedood. Het hof achtte bewezen dat verdachte tijd had gehad zich te beraden, waarmee sprake was van voorbedachte raad.

De advocaat-generaal concludeerde dat het cassatiemiddel faalde omdat het hof de motivering van de bewezenverklaring voldoende had onderbouwd. De Hoge Raad volgde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling tot 13 jaar en 4 maanden gevangenisstraf definitief bleef staan.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde de veroordeling van verdachte tot 13 jaar en 4 maanden gevangenisstraf voor moord met voorbedachte raad.

Conclusie

Nr. 10/01728
Mr. Aben
Zitting 7 juni 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 9 april 2010 de verdachte ter zake van "Moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren en vier maanden.
2. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd nu de verwondingen aan hoofd en de hals van het slachtoffer, ontstaan als gevolg van uitwendig mechanisch stomp en/of botsend geweld, niet van betekenis waren voor het intreden van de dood en het overlijden van het slachtoffer waarschijnlijk is veroorzaakt door zuurstoftekort, terwijl het hof niet heeft vastgesteld waardoor dit zuurstoftekort is ontstaan.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 28 september 2004 tot en met 29 september 2004, te Hengelo in de gemeente Hengelo (O), opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd,
immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer], met kracht tegen het gezicht gestompt en geslagen en andere gewelddadige handelingen verricht en aangewend tegen [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."
3.3. Daartoe heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen:(1)
"Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van wettige bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof het navolgende vast.
Inleiding
Op woensdag 29 september 2004 zijn verbalisanten [verbalisant 1 en 2] van het Regionaal Meldcentrum van de Regiopolitie Twente naar het adres [a-straat 1] te [plaats] gegaan naar aanleiding van een melding van [betrokkene 1], de zuster van [slachtoffer]. De verbalisanten waren omstreeks 00:55 uur ter plaatse, alwaar de verbalisanten naar de woonkamer van de verdachte en [slachtoffer] werden geleid. In de woning waren naast de verdachte, [betrokkene 1] en haar echtgenoot [betrokkene 2] aanwezig. Op een tweezitsbank in de woonkamer zagen de verbalisanten een vrouw, [slachtoffer], liggen. Deze vrouw lag op haar rug en met haar hoofd op de rechter armleuning van de bank. Haar benen staken gestrekt over de linker armleuning. De verbalisanten zagen dat [slachtoffer] de ogen gesloten had en rondom haar ogen bloeduitstortingen had. Tevens zagen zij dat zij een bebloede onderlip had. [Slachtoffer] reageerde niet op aanspreken, waarna [verbalisant 2] constateerde geen polsslag bij haar te voelen. Na enig moment kwam ambulancepersoneel de woonkamer binnen en na korte tijd werd door de ter plaatse gekomen GGD-arts [betrokkene 3] de dood van [slachtoffer] vastgesteld.
Verdere feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat
De verdachte heeft naar eigen zeggen met zijn echtgenote, kort voor haar overlijden, afgesproken dat ze zouden gaan scheiden. Op 28 september 2004 hebben zij daar overdag telefonisch nog over gesproken. Na dat gesprek is de verdachte naar zijn werk gegaan. Uit het kloksysteem van het bedrijf waar de verdachte werkzaam was, bleek dat de verdachte op 28 september 2004 om 14:11 uur heeft ingeklokt en om 22:36 uur heeft uitgeklokt.
Raadpleging van de agenda leerde dat de verdachte die dag de gehele tijd heeft gewerkt dan wel aanwezig is geweest. Nadat de verdachte 's avonds thuis was gekomen van zijn werk, zette hij de computer aan, is naar beneden gelopen en is vervolgens naar het Shell-station gegaan om sigaretten te kopen. Op de beelden van de video-opnamen gemaakt door de bewakingscamera van het Shell-station aan de Hasselerbaan in Hengelo is te zien dat een manspersoon van vermoedelijke Turkse afkomst op 28 september 2004 om 23:08 uur zich in de shop van het tankstation bevindt en een pakje sigaretten afrekent. Door de verbalisant werd de manspersoon voor honderd procent herkend als de verdachte.
In de woning had de verdachte op twee verschillende plaatsen, zowel boven als beneden, een cassetterecorder. Beide cassetterecorders hadden de mogelijkheid dat opname plaatsvindt zodra er een geluid is. Toen de verdachte weer thuis kwam nadat hij sigaretten had gekocht, is hij naar boven naar de computer gelopen en heeft hij een cassettebandje beluisterd. Op de opname van dit cassettebandje zijn onder andere geluiden te horen alsof [slachtoffer] een orgasme krijgt. Daarna is de verdachte naar heneden gegaan, alwaar een discussie plaats vond tussen de verdachte en [slachtoffer], nadat de verdachte [slachtoffer] met de opname had geconfronteerd.
Op 28 september 2004 om 23:58 uur heeft de verdachte gebeld met de vader van [slachtoffer], te weten [betrokkene 4].De verdachte zei tijdens dit gesprek tegen [betrokkene 4]: "vader, kom en zie je dochter, er komt bloed uit haar mond, zij is een hoer." Daarna heeft de verdachte op 29 september 2004 om 00:02 uur gebeld met [betrokkene 5], een collega van [slachtoffer]. De verdachte heeft [betrokkene 5] de vraag gesteld of [slachtoffer] een andere relatie had. Vervolgens heeft de verdachte twee maal met [betrokkene 1] gebeld, de eerste keer om 00:04 uur. De verdachte vroeg haar tijdens dit gesprek direct te komen, maar zonder haar echtgenoot, omdat het een familiekwestie betrof. Om 00: 15 uur heeft de verdachte wederom met [betrokkene 1] gebeld om haar te vragen waar ze bleef. Toen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] eenmaal in de woning aanwezig waren, heeft de verdachte op enig moment nog met zin broer [betrokkene 6] gebeld. Om 00:43 uur heeft [betrokkene 1] met 112 gebeld.
Natuurlijk c.q. niet-natuurlijke dood door geweldshandelingen van de verdachte
De advocaat-generaal is van mening dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood.
De raadsman voert aan dat de doodsoorzaak niet is komen vast te slaan en dat de lezing van de verdachte dat [slachtoffer] van de trap zou zijn gevallen (het hof gaat hier later verder op in), niet wordt uitgesloten.
De verdachte heeft - kort samengevat - verklaard dat, nadat hij en [slachtoffer] een discussie hadden gehad op 28 september 2004, [slachtoffer] van hem naar boven moest gaan. Na ongeveer tien minuten is zij van de trap gevallen. De verdachte heeft haar, toen ze onderaan de trap lag, daar weggehaald en in de woonkamer op de bank neergelegd. [Slachtoffer] is volgens de verdachte op de bank een aantal keren gevallen, waarna hij haar rechtovereind zou hebben gezet in de bank. Ze maakte daarbij "gorgelende geluiden". De verdachte verklaart voorts te hebben geprobeerd de tong van [slachtoffer] naar voren te halen en dat zou de letsels aan zijn hand veroorzaakt kunnen hebben.
De advocaat-generaal is van mening dat er geen enkele aanwijzing bestaat om aan te nemen dat er sprake is van het door de verdachte geschetste scenario. De advocaat-generaal is van mening dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van het door de verdachte op haar uitgeoefende geweld.
De raadsman voert onder meer aan dat van slechts vier bloedsporen is komen vast te staan dat deze van [slachtoffer] zijn. Van de overige sporen kan niet worden vastgesteld van wie dit bloed afkomstig is geweest. Ook over de ouderdom van de bloedsporen is niets vastgesteld geworden. De raadsman concludeert dat het bloedsporenpatroononderzoek niets belastends oplevert. Wat betreft het waargenomen bloed op de handen van de verdachte voert de raadsman aan dat het bloed op de ene hand afkomstig zou zijn van het werk en het bloed op de linkerhand veroorzaakt is door een handeling waarbij de verdachte de tong van [slachtoffer] naar voren wilde halen. Voorts geeft de raadsman aan dat [slachtoffer] nog leefde toen de verdachte belde met [betrokkene 1] en derhalve het motief eerwraak onaannemelijk is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op 29 september 2004 is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer]. [Slachtoffer] had verwondingen aan haar hoofd en hals. Door de patholoog Tromp wordt geconcludeerd dat bij sectie geen anatomische of toxicologische doodsoorzaak kon worden vastgesteld. Overlijden door verstikking ten gevolge van afsluiting van de ademweg kan niet worden uitgesloten. De letsels zijn bij het leven ontstaan en waren het gevolg van de inwerking van uitwendig mechanisch stomp en/of botsend geweld, zoals door bijvoorbeeld vallen en/of geslagen worden. Zij waren niet van betekenis voor het intreden van de dood. Uitwendig samendrukkend geweld op de mondstreek, zoals door bijvoorbeeld smoren, kan niet worden uitgesloten.
Ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2007 is de deskundige Tromp gehoord over de mogelijke oorzaken van de dood van [slachtoffer], in dat verband is onder meer gesproken over:
a) het inslikken van de tong;
b) anatomische hartafwijkingen;
c) hyperventileren;
d) een tumor;
e) verstikking;
f) (ernstig) hersenletsel;
g) vergiftiging;
h) verslikken door eten;
i) strangulatie;
j) epileptische insulten;
k) hartritmestoornissen,
Tromp heeft de hierboven onder a tot en met i genoemde mogelijkheden uitgesloten. Over de mogelijkheden j en k heeft zij verklaard:
"Een epileptisch insult als doodsoorzaak is niet uit te sluiten, maar er is ook geen enkele positieve aanwijzing voor dat een dergelijk insult heeft plaatsgevonden.
Hartritmestoornissen zijn niet vast te stellen. Wanneer het vermoeden bestaat dat iemand hartritmestoornissen heeft ten gevolge van bijvoorbeeld verkalking van de kransslagader, dan zou dat wel te zien kunnen zijn. Er zijn hier echter geen redenen om te denken aan een dergelijke stoornis."
Verder heeft de deskundige Tromp verklaard dat in deze zaak vast staat dat er bij [slachtoffer] sprake is geweest van zuurstoftekort. Tromp heeft vervolgens, zakelijk weergegeven, verklaard:
"Het afsluiten van de ingang van de mond en neus hoeft geen letsels te veroorzaken. Bij dit slachtoffer waren op die plaatsen wel beschadigingen en dat is een aanwijzing voor smoren, althans dat kan een aanwijzing voor smoren zijn. Er is wel een relatie tussen zuurstofgebrek en smoren.
Er zijn bij het slachtoffer geen andere defecten waargenomen. Indien iemand een zuurstoftekort oploopt, dan worden de hersenen het eerst beschadigd. Zo'n persoon komt dan op een gegeven moment bij een "point of no return" waarna de overige organen er ook mee stoppen. Die persoon is vanaf dat moment ten dode opgeschreven, maar is nog niet dood. Het leven vloeit dan langzaam weg en het is in zo'n situatie mogelijk dat de polsslag nog gevoeld wordt. Bij een dergelijk "point of no return"-situatie kunnen onwillekeurige functies nog steeds bestaan of voorkomen en ook het maken van gorgelende geluiden. Dat gorgelen kan dus zowel gebeuren in de afloopfase van het leven als nadat iemand al is overleden. Als iemand al is overleden kan het optreden wanneer bijvoorbeeld het lichaam wordt verplaatst. waardoor nog in de longen aanwezige lucht wordt weggedrukt. Bij overlijden door verstikking hoeven er geen specifieke gevolgen zichtbaar te zijn."
Het feit dat [betrokkene 1] nog geluid hoorde uit de mond van [slachtoffer] toen zij eenmaal ter plaatse was, zegt dus, anders dan door de raadsman betoogd, naar het oordeel van het hof niets over het feit dat [slachtoffer] op dat moment nog in leven zou zijn geweest.
Opmerkelijk is dat de verdachte het inroepen van medische hulp achterwege liet. Toen [betrokkene 1] bij de verdachte aanwezig was en zij voorstelde om medische hulp in te schakelen, antwoordde de verdachte dat hij dit niet wilde. Op een gegeven moment ging de mobiele telefoon van de verdachte over. [Betrokkene 2] hoorde de verdachte tegen de persoon aan de andere kant van de telefoon zeggen: "ik heb haar geslagen, ik heb haar vermoord. Ik heb haar gezicht helemaal aan gort geslagen". Op een gegeven moment besloot [betrokkene 1] om zelf 112 te bellen. Nadat [betrokkene 1] de verdachte had meegedeeld dat zij 112 had gebeld, reageerde de verdachte hierop door tegen haar te zeggen dat zij moest verklaren dat [slachtoffer] van de trap zou zijn gevallen.
Opmerkelijk in dit verband is voorts dat op het moment dat [betrokkene 1] in de woning van de verdachte aanwezig was en haar zuster had gezien, de verdachte de gehele tijd een memorecorder in zijn hand bad en hij [betrokkene 1] een gesprek wilde laten horen. De verdachte zei steeds dat de zuster van [betrokkene 1] een hoer was en dat hij het bewijs hiervan op tape had staan. De verdachte vroeg [betrokkene 1] of zij de tape voor hem wilde vertalen. Op enig ogenblik liet de verdachte een deel van het gesprek aan [betrokkene 1] horen, waaronder het gedeelte waarop te horen is alsof [slachtoffer] een orgasme krijgt.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte over de door hem geschetste gang van zaken omtrent het overlijden van [slachtoffer] volstrekt ongeloofwaardig. Het hof wijst hierbij op de gedragingen van de verdachte zoals hierboven beschreven en op de bevindingen van de deskundige ing. M.J. van der Scheer: onderaan en op de trap van de begane grond naar de eerste verdieping, en in de directe omgeving hiervan, zijn visueel geen bloedsporen aangetroffen. Ook zijn er visueel geen bloedsporen aangetroffen in het gedeelte tussen de onderzijde van de trap op de begane grond en de achterzijde van de tweezitsbank in de woonkamer. Voorts wijst het hof op de conclusie van het bloedspoorpatroononderzoek inhoudende dat de aangetroffen geprojecteerde bloedspatjes op het voor- en achterpand van het T-shirt van verdachte gezien de vorm en grootte kunnen passen bij een sporenbeeld zoals ontstaan tijdens krachtsinwerking op vloeibaar bloed, zoals bijvoorbeeld slaan, schoppen etc. en (...) dat er geen aanwijzingen zijn verkregen dat de bloedsporen het gevolg zijn van uitgeademd bloed.
Het hof neemt die conclusie over en maakt die tot de zijne.
Op het verzoek van de verdediging is bij tussenarrest van 30 oktober 2007 door dit hof bepaald dat nader onderzoek verricht diende te worden omtrent de hersentumor bij [slachtoffer]. In dit kader is hij haar huisarts navraag gedaan of hij/zij ermee bekend was dat zij een hersentumor zon hebben gehad en zo ja, of zij daarvoor onder behandeling stond van een Nederlandse medisch specialist. De huisarts G.M. Oosterhout antwoordt in zijn brief van 10 maart 2008 dat er een MRI van de hersenen van [slachtoffer] was gemaakt waarop bleek dat er een klein gezwel was in de hypofyse. De huisarts heeft [slachtoffer] verwezen naar de specialist Groote Veldman, internist. Deze stelde de diagnose micro-prolactinoom. De huisarts heeft begrepen dat het ging om een zeer klein goedaardig gezwel.
Verder is aan het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen: NH) de volgende vraag voorgelegd: "Kunt u aangeven of het hewaarde hersenweefsel van het slachtoffer [slachtoffer] voldoende is om nog te kunnen worden onderzocht en, zo ja, kunt u dan het hersenweefsel onderzoeken op mogelijke afwijkingen die een directe relatie tot de dood van het slachtoffer zouden kunnen hebben gehad?" De patholoog H.A. Tromp (verder te noemen: Tromp) rapporteert hierover op 13 februari 2008 en komt tot de conclusie dat het onderzoek van de hersenen, zowel bij de initiële beoordeling als bij de herbeoordeling geen aanwijzingen opleverde dat afwijkingen aanwezig waren die een rol zouden hebben kunnen spelen bij het intreden van de dood. Met nadruk wordt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een tumor die van belang zou kunnen zijn geweest voor het overlijden. In een nader rapport d.d. 31 maart 2008 voegt Tromp daar nog aan toe, dat het mogelijk was, dat nog een klein restant van het gezwel in de hypofyse aanwezig is geweest, maar dat dit geen relatie heeft gehad met het overlijden.
In het dossier bevindt zich geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat [slachtoffer] aan een natuurlijke dood is overleden.
Het hof is, gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat er geen sprake is geweest van een natuurlijke dood maar dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het met kracht verrichten van gewelddadige handelingen tegen [slachtoffer], tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting bestaat tenslotte geen enkele aanwijzing dat er geweldshandelingen door een ander dan door de verdachte zijn verricht. De verdachte heeft verklaard dat de avond/nacht van 28 op 29 september 2004 alleen hij zelf, [slachtoffer] en hun twee kinderen in de woning aanwezig waren. De kinderen lagen boven te slapen.
Het enkele feit, aangevoerd door de raadsman, dat uit het luminolonderzoek naar voren komt dat sporen op de trap zijn aangetroffen, bestaande uit vlekken/vegen in de vorm van vingers/hand, doet aan het oordeel van het hof niet af, nu deze vlekken/vegen van iedere bewoner kunnen zijn, zo ook van de kinderen van de verdachte en die sporen (dus) ook op andere tijdstippen kunnen zijn gemaakt.
(...)
Voorbedachte raad
Vast staat dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het hof heeft vervolgens onderzocht of de verdachte de opzettelijke levensberoving van [slachtoffer] met voorbedachte raad heeft begaan.
Het hof wijst in dit verband ten eerste op het uitgewerkte verslag van de politie van een - met behulp van één van de door de verdachte zelf geplaatste cassetterecorders opgenomen - gesprek tussen hem en [slachtoffer]. Daarin verklaart de verdachte onder meer:
"Ik heb je gezegd; als ik zoiets aanvoel, dan dood ik je. Want (...) laten rijmen met mezelf.
...
Nee, mijn vrouw kan mij niet bedriegen! Begrijp je dat!?
...
Als ik dat denk, als ik dat zie, als ik dat aantref, dan dood ik (je), punt uit! Dat zeg ik je, zo simpel is het. Dat is mijn mening. Ik zal doden. Ik kan niet in hetzelfde huis wonen als jij, ik kan zelf niet in (...) leven. Ik dood je. Punt uit.
...
Als je het gelooft, zeg ik tegen jou. Als je het gelooft, moeten we gaan scheiden. Als je gelooft dat (...). moeten we scheiden. Wat heb ik daar tegen jou gezegd, als je mij betrapt dan moet je me levend villen (levend in stukjes snijden).
Gulsen luister naar mij. Ik verwar het onderwerp geld niet met het onderwerp eer. Ik heb mijn verstand. Ik vertrouw je niet op het gebied van geld, maar het is niet zo dat ik je ook op het gebied van eer niet vertrouw."
Dit gesprek werd mogelijk opgenomen in de woonkamer en waarschijnlijk op dinsdagmorgen 28 september 2004. Voorafgaand aan de hierboven gerelateerde uitspraken is in dat gesprek te horen dat de verdachte en [slachtoffer] hebben besloten te gaan scheiden. Dat dit gesprek waarschijnlijk van 28 september 2004 is, valt af te leiden uit het feit dat de verdachte voordien een gedicht voor [slachtoffer] had gemaakt en de verdachte daar in dit gesprek naar vraagt. Ook heeft de verdachte het over bloemen die hij haar gegeven had; op 30 september 2004 stonden er bloemen in huis. De verdachte zegt voorts op de tape dat het dinsdag is (en [slachtoffer] nog niet gereageerd heeft op zijn gedicht). De verdachte belt verder met Turkije en zegt een advocaat te gaan bellen. De verdachte verklaart op 8 november 2004 zo'n gesprek op dinsdag 28 september 2004 met [slachtoffer] gevoerd te hebben.
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (vgl. HR 11 juni 2002, LJN AE1743 en HR 19 februari 2008, LJN BB6217).
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte het slachtoffer na kalm beraad en rustig overleg van het leven heeft beroofd. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte ofwel vóór zijn uitlatingen tegen [slachtoffer] omtrent zijn voornemens ofwel kort voor of op het moment dat hij in hun woning [slachtoffer] met zijn bevindingen confronteerde, het besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof laat ten aanzien van de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachten rade in het midden op welk van deze twee momenten de verdachte het besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven, omdat het in beide gevallen tot de conclusie komt dat er voor de verdachte tussen het besluit en de uitvoering daarvan gelegenheid is geweest om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit. Ook al zou een eerder genomen besluit tot levensberoving afhankelijk zijn gesteld van het zich al dan niet voordoen van een bepaalde gebeurtenis, in casu de manier van reageren door [slachtoffer] na het confronteren van haar met de opgenomen tape, dan doet dit niet af aan de conclusie dat in het onderhavige geval sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 4 april 2006, UN A1J9428). De voor voorbedachte raad benodigde bedenktijd kan immers slechts een kwestie van seconden zijn (vgl. HR 7 december 1999, NJ 2000, 263 en HR 25 januari 2000, NJ 2000, 280).
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd."
3.4. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bij het slachtoffer aangetroffen letsels aan hoofd en hals afkomstig waren van uitwendig mechanisch stomp en/of botsend geweld, maar dat deze letsels niet van betekenis waren voor het intreden van de dood. Bij de sectie op het lichaam van het slachtoffer heeft de patholoog geen anatomische of toxicologische doodsoorzaak kunnen vaststellen en geen aanwijzingen gevonden voor de ter terechtzitting in eerste aanleg genoemde mogelijke doodsoorzaken. De patholoog heeft meegedeeld dat uitwendig samendrukkend geweld op de mondstreek, zoals het afsluiten van de mond en neus, niet tot waarneembare letsels hoeft te leiden en dat een dergelijke toedracht niet kan worden uitgesloten. Volgens de patholoog zijn bij het slachtoffer op die locaties beschadigingen aangetroffen die hiervoor een aanwijzing kunnen vormen.
3.5. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer met kracht tegen het gezicht heeft gestompt en geslagen en andere gewelddadige handelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht en aangewend tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden. In de bewezenverklaarde 'andere gewelddadige handelingen' ligt het mogelijke smoren van het slachtoffer zonder meer besloten. Anders dan de steller van het middel lijkt te betogen heeft het hof dus niet in tegenspraak met de bewijsmiddelen bewezenverklaard dat (uitsluitend) het stompen en slaan de dood van [slachtoffer] heeft teweeggebracht. Het hof heeft eenvoudigweg de doodsoorzaak en de toedracht van het overlijden in het midden gelaten, doch de verdachte hoe dan ook verantwoordelijk geacht voor de gewelddadige levensberoving.
3.6. Hiertoe heeft het hof bovendien acht geslagen op de volgende omstandigheden:
(a) de verdachte heeft met de vader van het slachtoffer gebeld en tijdens dit gesprek gezegd "vader, kom en zie je dochter, er komt bloed uit haar mond, zij is een hoer";
(b) de getuige [betrokkene 2] heeft de verdachte tegen een persoon aan de andere kant van de telefoon horen zeggen "ik heb haar geslagen, ik heb haar vermoord";
(c) de verdachte heeft telkenmale tegen getuige [betrokkene 1] - die de verdachte had gevraagd langs te komen in verband met een familiekwestie - gezegd dat haar zus een hoer was en dat hij het bewijs daarvan op een tape had staan en dat hij haar voorts, nadat zij 112 had gebeld, heeft gezegd dat zij moest verklaren dat het slachtoffer van de trap was gevallen;
(d) het hof heeft de lezing van de verdachte over de toedracht van het overlijden van het slachtoffer (onder meer dat zij van de trap is gevallen) als volstrekt ongeloofwaardig bestempeld, mede vanwege de bevindingen van de deskundige Van der Scheer.
Ik meen dat de bewezenverklaring in zoverre dan ook met voldoende redenen is omkleed.
3.7. In de toelichting op het middel wordt voorts nog geklaagd dat de voorbedachte raad niet of onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de bewezenverklaring nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.(2) Handelen met voorbedachte raad is het tegengestelde van het handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.(3) Het bestaan van die gelegenheid en het opvatten van het besluit in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging sluiten elkaar echter niet uit. Indien in een opwelling een besluit wordt genomen waaraan de uitvoering ervan wordt gekoppeld is voorbedachte raad niet uitgesloten, mits een gelegenheid tot rekenschap heeft bestaan: bijvoorbeeld tijdens de uitvoering van een misdrijf waartoe een verdachte in een opwelling is overgegaan.(4) De tijd die na het besluit is verlopen en die benut had kunnen worden voor beraad kan niettemin betrekkelijk kort zijn.(5)
3.8. Het hof heeft in het midden gelaten of de verdachte hetzij voorafgaande aan zijn uitlatingen omtrent zijn voornemens op dinsdagmorgen 28 september 2004, hetzij kort voor of op het moment dat hij in hun woning het slachtoffer met zijn bevindingen confronteerde, het besluit heeft genomen om het slachtoffer van het leven te beroven. Het hof is van oordeel dat in beide scenario's tussen dit besluit en de uitvoering daarvan gelegenheid is geweest om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte, ongeacht welke van de hier beschreven scenario's correspondeert met de werkelijkheid, niet heeft gehandeld in een plotselinge, impulsieve opwelling, maar tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. In het scenario waarin de verdachte het besluit op dinsdagmorgen heeft genomen lijkt mij dit evident gezien het tijdsverloop van een halve dag tussen het besluit en de daadwerkelijke uitvoering. In het tweede scenario acht ik dit oordeel eveneens inzichtelijk gelet op de bij leven toegebrachte letsels, afkomstig van de gewelddadige handelingen van de verdachte en het uiteindelijke intreden van de dood. Daarmee is onvermijdelijk geruime tijd verstreken. Dit tijdsverloop heeft de gelegenheid geboden voor het beraad. Aldus is 's hofs oordeel over het bewijs van de voorbedachte raad niet onbegrijpelijk, terwijl dit oordeel verweven als het is met vaststellingen en afwegingen van feitelijke aard in cassatie niet verder kan worden getoetst.
4. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
5. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten van het hof achterwege.
2 Vgl. HR 11 juni 2002, LJN AE1743, HR 19 februari 2008, LJN BB6217 en HR 30 juni 2009, LJN BI4070.
3 Vgl. HR 25 januari 2000, LJN AA4574, NJ 2000/280, HR 11 juni 2002, LJN AE1743 en HR 22 februari 2005, LJN AR5714.
4 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse bij HR 8 september 2009, LJN BI4080.
5 Vgl. HR 11 juni 2002, LJN AE1743; HR 10 januari 2006, LJN AU7125.