ECLI:NL:PHR:2011:BT2194
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag en toewijzing eenhoofdig gezag aan vader na echtscheiding
Uit het huwelijk van de moeder en vader is een minderjarige geboren. Na hun echtscheiding in 2001 oefenden zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De vader verzocht de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en hem het eenhoofdig gezag toe te kennen, wat door de rechtbank werd afgewezen. Het hof vernietigde deze beslissing en wees het eenhoofdig gezag toe aan de vader, mede vanwege de voortdurende conflicten tussen ouders en het ontbreken van een gemeenschappelijke basis voor gezagsuitoefening.
Tijdens het proces weigerde de moeder mee te werken aan een door het hof gelast ouderschapsonderzoek, wat het hof mede betrok in haar oordeel. De moeder verscheen zonder advocaat en haar verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling werd afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat dit terecht was omdat de moeder voldoende tijd had gehad om rechtsbijstand te regelen en geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht het belang van de minderjarige heeft laten prevaleren en dat het eenhoofdig gezag aan de vader toewijzen gerechtvaardigd was. Klachten over het niet horen van de minderjarige en het procesverloop worden verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het hof heeft het gezamenlijk gezag beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de vader toegekend; het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen.