ECLI:NL:PHR:2011:BT6852
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlenging machtiging uithuisplaatsing van minderjarige kinderen bevestigd door Hoge Raad
Deze zaak betreft het cassatieberoep van ouders tegen de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van drie van hun minderjarige kinderen. De oorspronkelijke machtiging was verleend voor een bepaalde periode en vervolgens verlengd door de kinderrechter en het hof. De ouders stelden verschillende klachten in cassatie, onder meer over de bevoegdheid van de instelling die de machtiging verlengde, het ontbreken van stukken in het dossier, en de wijze waarop het hof de feiten had vastgesteld.
De Hoge Raad benadrukt dat in cassatie geen herbeoordeling van feitelijke vaststellingen mogelijk is en dat de rechter in verzoekschriftprocedures een grote mate van vrijheid heeft bij de feitenvaststelling. Klachten die een herbeoordeling van feiten of het ontbreken van stukken betreffen, worden daarom niet ontvankelijk verklaard. Ook de klachten over het niet toelaten van oudere kinderen tot de mondelinge behandeling en over de bewijsregels worden verworpen.
De Hoge Raad bevestigt dat de instelling die de machtiging verlengde bevoegd was op grond van mandaatbesluiten en dat de procedure correct is gevolgd. De klachten over vermeende onrechtmatigheden in de behandeling van het dossier en de weigering tot medewerking aan therapie worden eveneens afgewezen. Uiteindelijk concludeert de Hoge Raad tot verwerping van het cassatieberoep en bevestiging van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.