ECLI:NL:PHR:2012:BU3785
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over proceskostenvergoeding bij schending mandaatvoorschrift in bezwaarprocedure vennootschapsbelasting
In deze zaak staat centraal of belanghebbende recht heeft op een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding wegens schending van artikel 10:3, lid 3, Awb, dat bepaalt dat de ambtenaar die het primaire besluit neemt niet het bezwaar mag behandelen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen vennootschapsbelastingaanslagen waarbij dezelfde ambtenaar betrokken was bij zowel het opleggen van de aanslagen als de behandeling van de bezwaren. Hoewel belanghebbende aanvankelijk schriftelijk instemde met deze betrokkenheid, oordeelde de Rechtbank dat het mandaatvoorschrift was geschonden en verklaarde het beroep gegrond.
Het Hof bevestigde dit oordeel, maar wees een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding af omdat de schending van het mandaatvoorschrift zonder meer geen bijzondere omstandigheid vormt die een integrale vergoeding rechtvaardigt, mede vanwege de instemming van belanghebbende. In cassatie betoogde belanghebbende dat het Hof buiten de rechtsstrijd trad en dat de schending van het mandaatvoorschrift wel degelijk een verwijt oplevert dat een hogere vergoeding rechtvaardigt.
De Hoge Raad overweegt dat het mandaatvoorschrift een essentieel voorschrift is en schending leidt tot onbevoegde besluitvorming. Echter, in het kader van proceskostenveroordeling is van belang of het bestuursorgaan een verwijt treft dat het een besluit handhaaft waarvan op dat moment duidelijk is dat het geen stand zal houden. De instemming van belanghebbende met de betrokkenheid van de ambtenaar maakt dat geen verwijt kan worden gemaakt en dus geen bijzondere omstandigheid aanwezig is. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; geen bovenforfaitaire proceskostenvergoeding toegekend ondanks schending mandaatvoorschrift.