Voetnoten
1.Heden neem ik eveneens conclusie in de inhoudelijk vergelijkbare zaak van een andere belanghebbende, aanhangig onder nummer 14/01503.
2.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten uit de processtukken waarin een tekstbewerking voorkomt, zoals onderstrepingen, vet- en cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.
7.Besluit van 22 december 1993 houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures,
8.Besluit van 23 december 1992, nr. VB 92/2876, Leidraad belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992,
9.Besluit van 12 september 2006, nr. CPP 2006/1980M, Leidraad belasting van personenauto’s en motorrijwielen 2006,
10.Besluit van 4 juni 2010, nr. DGB/2010/1670M,
11.Zie ook onderdeel 4.26 van deze conclusie (met name r.o. 4.4).
27.Rechtbank Arnhem 17 maart 2011, nr. AWB 10/03140,
33.O. Soldat,
35.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Belastingheffing van motorrijtuigen, artikelsgewijs commentaar Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijtuigen 1992, artikel 10, aantekening 2, Gebruikte motorrijtuigen. Het commentaar is bijgewerkt tot 13 maart 2015 c.q.
36.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Belastingheffing van motorrijtuigen, artikelsgewijs commentaar Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijtuigen 1992, artikel 10, aantekening 2.1, Vervallen beleid. Het commentaar is bijgewerkt tot 13 maart 2015 c.q.
37.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Belastingheffing van motorrijtuigen, artikelsgewijs commentaar Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijtuigen 1992, artikel 10, aantekening 2, Gebruikte motorrijtuigen. Het commentaar is bijgewerkt tot 13 maart 2015 c.q.
40.Voetnoot uit origineel: ‘HR 29 mei 2009, nr. 08/00824.’ Zie onderdeel 4.9 van deze conclusie.
41.Zie 4.7.
42.Zie 4.15 en 4.23.
43.Zie onderdeel 3.3 van deze conclusie.
44.Hofuitspraak r.o. 4.4; zie onderdeel 2.10.
45.Vgl. 4.13, 4.22 en 4.26.
46.In de toelichting op het tweede middel wordt vermeld: ‘De door mij voorgestane feitelijke beoordeling zou wellicht geacht kunnen worden enigszins besloten te liggen in r.o. 4.5 van de uitspraak van het verwijzingshof. Daarbij spelen met name aspecten als hoogte kilometerstand, mate van gebruikssporen, tijdsverloop sinds eerste registratiedatum en eerste daadwerkelijke aanschaf van de auto door (stroman van) belanghebbende e.d. een rol. De uiteindelijke beoordeling of van een nieuwe of gebruikte auto in de zin van de Wet BPM moet worden gesproken zou het eindresultaat moeten zijn van een waardering van het totaal aan vastgestelde feiten en omstandigheden.’
47.De grens tussen nieuw en gebruikt kan uiteraard ook wel (veel) ruimer worden getrokken. Ter zitting bij het Hof is namens de Inspecteur verklaard: ‘Vijf jaar geleden was het beleid van de Belastingdienst dat de grens tussen gebruikt en nieuw lag bij 6.000 kilometer en 6 maanden, tenzij gebruikssporen werden aangetroffen. Sinds vijf jaar geldt 3.000 km en 12 maanden, daarna dient te worden bekeken of gebruikssporen aanwezig zijn.’ P-v Hof, zitting van 3 december 2013, p. 2. Zie nader onderdeel 4.5 en 4.6 van deze conclusie.
48.Zie 4.33 voor een uitleg van het begrip U-bochtconstructie. Zie eveneens 4.15 en 4.23, 4.25 en 4.27.
49.Zie 4.33.
50.Zie 4.15 en 4.23. Ik merk overigens op dat er aan het voorstel tot bestrijding van de zogenaamde hagelschadeconstructies wél uitvoering is gegeven.
51.Zie artikel 1, lid 2, Wet BPM.
52.Vgl. 4.28 en 4.29.
53.Zie 4.26 en 4.30. Zie ook r.o. 4.1 van de Hofuitspraak.
54.Zie 4.32.
55.Zie 4.21. Ik merk overigens op dat deze uitspraak is gedaan voordat de Hoge Raad zijn arrest van 29 mei 2009 heeft gewezen; zie 4.9.
56.Zie respectievelijk 4.9 en 4.11.
57.Zie respectievelijk 4.14, 4.16, 4.18, 4.19 en 4.26.
58.Uit r.o. 3.1.1 van het arrest blijkt dat de ‘kilometerstanden van de auto’s varieerden van enkele tientallen tot enkele honderden kilometers’.
59.De meest relevante delen van dit arrest zijn opgenomen onder 4.9. De genoemde kenmerken zijn ontleend aan r.o. 3.3.1 van het arrest en zijn niet in deze conclusie opgenomen.
60.Zie 4.9.
61.Zie r.o. 4.6 van de Hofuitspraak.
62.Zie 4.11.
63.De meest relevante delen van dit arrest zijn opgenomen onder 4.11. De genoemde kenmerken zijn ontleend aan r.o. 3.1.1 van het arrest en zijn niet in deze conclusie opgenomen.
64.Zie 4.11.
65.Zie 5.18 e.v. hierna.
66.Vgl. 4.32. Memorie van toelichting op (het toenmalige) artikel 9, lid 6, Wet BPM.
67.Ik merk terzijde op dat een (rechterlijke) kwantitatieve invulling van dit (kwalitatieve) criterium uit praktisch oogpunt wellicht toe te juichen is, doch mij desondanks niet wenselijk voorkomt vanwege de daarmee naar verwachting gepaard gaande (verhoogde) misbruikgevoeligheid.
68.Zie 4.24. In de onderhavige zaak is trouwens door belanghebbende gesteld, doch door de Inspecteur betwist, dat sprake is van een demonstratieauto. Het Hof heeft dienaangaande niets vastgesteld. Zie p. 3 van het proces-verbaal bij het Hof.
69.Zie 4.6.
70.Zie 4.5.
71.Zie 4.9.
72.Zie 4.12.
73.Zie 4.5 en 4.6.
74.Vgl. echter 4.26.
75.Zie r.o. 1.1 van de Hofuitspraak.
76.Zie paragraaf 13 (‘Ingetrokken regelingen’) in combinatie met paragraaf 14 (‘Inwerkingtreding (en vervaldatum)’) van het Besluit van 4 juni 2010, nr. DGB/2010/1670M,
77.Zie 4.6. Zie eveneens 4.26 (met name r.o. 4.4).
78.Zie 4.7.
79.Zie 3.5.
80.Met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb heb ik reeds op 12 oktober 2012 een ‘overzichtsconclusie’ genomen (zie ECLI:NL:PHR:2012:BU3785). Voor achtergrondinformatie dienaangaande verwijs ik daarnaar. 81.Zie r.o. 5.1 van de Hofuitspraak.
82.Zie 2.5.
83.Zie 4.31.
84.Zie 4.8.
85.Idem.
86.Zie het besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken,
87.Idem, p. 2.
88.Zie p. 2 van de beantwoording van het incidentele beroepschrift in cassatie.