ECLI:NL:PHR:2012:BU4209
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verdeling wederrechtelijk verkregen voordeel bij drugshandel en oordeelt over overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen van handel in verdovende middelen en tot betaling van een bedrag van circa €3,3 miljoen aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene voerde onder meer aan dat de winst niet gelijkelijk was verdeeld met zijn broer, die de leiding had en de financiën beheerde, en dat hij zelf geen draagkracht had om het bedrag te betalen.
Het hof had geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen bleek dat betrokkene en zijn broer op een 50/50 basis samenwerkten en dat betrokkene over grote sommen geld kon beschikken. Het hof verwierp het verweer dat de winst anders was verdeeld en dat nader onderzoek nodig was. Ook verwierp het hof het draagkrachtverweer, stellende dat niet was aangetoond dat betrokkene niet aan zijn betalingsverplichting kon voldoen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat het verweer van betrokkene niet tot een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel leidt. Wel constateert de Hoge Raad dat de stukken van het geding niet tijdig zijn ingediend, waardoor de redelijke termijn is overschreden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest voor zover het gaat om de hoogte van het opgelegde bedrag en kan dit worden verminderd volgens de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn en wijst het beroep voor het overige af.