ECLI:NL:PHR:2012:BV1031
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige daad door onnodig grievende beschuldigingen van misdrijven door politicus in openbaar
De zaak betreft een geschil tussen eiser en verweerder, waarbij eiser als particulier verweerder, een gemeenteraadslid, in het openbaar beschuldigde van strafbare feiten en ander laakbaar gedrag zonder voldoende feitelijke onderbouwing. Eiser had een verblijfsovereenkomst met verweerder, die later tot een conflict leidde. Eiser stuurde een brief aan het gemeentebestuur en lokale pers, waarin hij verweerder beschuldigde van onder meer valsheid in geschrift en afpersing. Dit leidde tot reputatieschade voor verweerder, die daarop een verklaring voor recht vorderde dat eiser onrechtmatig had gehandeld.
De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit oordeel en verklaarde dat eiser onrechtmatig had gehandeld. Het hof maakte een belangenafweging tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eer en goede naam, waarbij het hof oordeelde dat de beschuldigingen onvoldoende feitelijk waren onderbouwd en onnodig grievend waren geformuleerd. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaven heeft toegepast, verwijzend naar het arrest van 24 juni 1983, en dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt.
De Hoge Raad behandelt diverse klachten van eiser over de toepassing van de maatstaf, de beoordeling van het feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, en de juridische kwalificaties van de uitlatingen. De Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de uitlatingen onrechtmatig waren, mede omdat zij onvoldoende steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en omdat de formuleringen onnodig grievend waren. Ook het bewijsaanbod van eiser werd als niet ter zake dienend beoordeeld. Het beroep van eiser wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid van eiser door onnodig grievende en onvoldoende onderbouwde beschuldigingen in het openbaar.