ECLI:NL:PHR:2012:BV6727
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overgang kwalitatief recht en onvoorziene omstandigheden bij plaatsing lichtmasten tennispark
De zaak betreft een geschil tussen omwonenden en een tennisvereniging over de plaatsing van lichtmasten bij tennisbanen. In 1982 waren afspraken gemaakt dat geen lichtmasten zouden worden geplaatst bij banen 1 t/m 4 in ruil voor het intrekken van bezwaren tegen lichtmasten bij banen 5 t/m 9. De tennisvereniging plaatste later toch lichtmasten bij banen 1 t/m 4, waarna omwonenden een kort geding startten om nakoming van de afspraken te vorderen.
De voorzieningenrechter verbood de tennisvereniging de nieuwe lichtmasten te gebruiken. Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de rechten uit de afspraken niet overgingen op de huidige bewoners die de woningen later hadden gekocht, omdat volgens het oude recht een beding vereist was dat rechten mede ten behoeve van rechtsopvolgers werden bedongen. Tevens vond het hof dat gewijzigde omstandigheden het niet redelijk maakten de tennisvereniging langer aan de afspraken te houden.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte het oude recht (art. 1354 BW Pro oud) toepaste in plaats van het huidige art. 6:251 BW Pro, dat geen eis stelt dat rechten mede ten behoeve van rechtsopvolgers worden bedongen. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het hof een onjuiste en te ruime maatstaf hanteerde bij het beoordelen van het beroep op onvoorziene omstandigheden, waarbij terughoudendheid geboden is. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling met toepassing van het juiste recht en de juiste maatstaf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling met toepassing van art. 6:251 BW en juiste maatstaf voor onvoorziene omstandigheden.