ECLI:NL:PHR:2012:BV8216
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voogdij en erkenning minderjarigen in context Haags Adoptieverdrag en internationale adoptie
Deze zaak betreft een verzoek tot benoeming van een voogd over twee minderjarigen geboren in Polen, die door verzoekers kort na geboorte naar Nederland zijn gebracht. De eerste verzoeker heeft de kinderen erkend in Polen, en de tweede verzoekster heeft een van de kinderen geadopteerd via een Poolse rechterlijke uitspraak.
De Raad voor de Kinderbescherming betwistte de geldigheid van deze erkenningen en adoptie, stellende dat deze handelingen bedoeld waren om de regels van het Haags Adoptieverdrag te omzeilen. Het hof stelde vast dat de erkenning en adoptie inderdaad met het oog op omzeiling van internationale adoptievoorschriften waren verricht, en wees het verzoek van de verzoekers af. De moeder van een van de minderjarigen was in appel uitgenodigd zich uit te spreken, maar niet in cassatie, hetgeen de Hoge Raad aanleiding gaf de zaak aan te houden om alsnog haar zienswijze te horen.
De Hoge Raad bevestigde dat het Haags Adoptieverdrag als internationale rechtsbron geldt en dat de waarborgen van het verdrag moeten worden gerespecteerd om misbruik en omzeiling te voorkomen. De erkenning en adoptie in Polen werden niet erkend omdat zij in strijd waren met deze waarborgen. De Hoge Raad benadrukte het fundamentele beginsel dat een rechtmatige belanghebbende gehoord moet worden, ook als dat geen invloed heeft op de uitkomst.
De Hoge Raad concludeerde dat de zaak moet worden aangehouden om de moeder van de minderjarige alsnog in de gelegenheid te stellen haar zienswijze kenbaar te maken, waarna verdere behandeling zal plaatsvinden.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden om de moeder van de minderjarige alsnog in de gelegenheid te stellen haar zienswijze kenbaar te maken.