ECLI:NL:PHR:2012:BW4002
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige naar Verenigde Staten op grond van Haags Kinderontvoeringsverdrag
Deze zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die door de moeder in Nederland werd achtergehouden, terwijl de gewone verblijfplaats van het kind in de Verenigde Staten was. De vader had een verzoek ingediend bij de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding op grond van het Haags Verdrag inzake internationale ontvoering van kinderen (HKOV).
De rechtbank en het hof hebben het verzoek tot teruggeleiding toegewezen. Het hof oordeelde dat het tweede verzoek van de Centrale Autoriteit als voortzetting van het eerste verzoek moest worden gezien, waardoor het verzoek binnen de termijn van één jaar van art. 12 lid 1 HKOV Pro viel. De moeder voerde aan dat er sprake zou zijn van een weigeringsgrond op grond van art. 13 lid 1 onder Pro b HKOV, maar het hof stelde dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd en dat de moeder onvoldoende had onderbouwd dat er een ernstig risico bestond voor het kind.
De moeder stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof, waarbij werd benadrukt dat de rechter niet ambtshalve hoeft te toetsen of een weigeringsgrond aanwezig is en dat de bewijslast daarvoor bij degene ligt die zich tegen terugkeer verzet. Ook werd bevestigd dat het belang van het kind niet wordt afgewogen in de procedure tot teruggeleiding zelf, maar in latere procedures. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde daarmee de teruggeleiding van het kind naar de Verenigde Staten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de teruggeleiding van de minderjarige naar de Verenigde Staten.