ECLI:NL:PHR:2012:BW4206
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding door moedervennootschap voor betalingen dochter na beëindiging kredietrelatie
In deze zaak vordert de curator van de dochtervennootschap Cekadak Noord B.V. vergoeding van betalingen die zij aan de bank heeft gedaan namens de moedervennootschap JVS Beheer B.V. na beëindiging van een gezamenlijke kredietrelatie met ABN AMRO Bank. De kern van het geschil betreft de vraag of JVS gehouden is tot vergoeding van bedragen die Cekadak heeft betaald en hoe de onderlinge draagplicht tussen moeder en dochter moet worden verdeeld.
De rechtbank stelde vast dat JVS en Cekadak ieder voor de helft van de schuld aan de bank aansprakelijk waren en veroordeelde JVS tot betaling aan de curator. Het hof vernietigde dit vonnis en verwees de zaak terug, maar oordeelde vervolgens dat JVS de helft van de schuld moest dragen. JVS stelde cassatie in tegen dit oordeel, waarbij zij betoogde dat het hof onterecht de feitelijke grondslag had uitgebreid en onvoldoende had gemotiveerd waarom JVS voor de helft van de schuld draagplichtig zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door te veronderstellen dat een saldering had plaatsgevonden die feitelijk niet had plaatsgevonden. Daarnaast had het hof onvoldoende gemotiveerd waarom JVS intern voor de helft van de schuld aansprakelijk zou zijn, terwijl de kredietovereenkomst alleen de externe solidariteit met de bank regelde. De Hoge Raad benadrukte dat artikel 6:6 BW Pro alleen de externe aansprakelijkheid regelt en dat de interne draagplicht tussen schuldenaren apart moet worden vastgesteld, bijvoorbeeld op grond van artikel 6:10 BW Pro of 6:212 BW. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onjuiste feitelijke grondslag en onvoldoende motivering over interne draagplicht en verwijst zaak terug.