Conclusie
1.Feiten
rechtbank) weergegeven in het tussenvonnis van 15 december 2021 [1] en aangepast in het tussenvonnis van 15 juni 2022 [2] (hierna:
Tussenvonnis Irespectievelijk
Tussenvonnis II).
De Buurtzuster) is op 19 december 2018 op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard. J.J. Reiziger is daarbij als curator benoemd (hierna: de
curator). De Buurtzuster is opgericht in 2012. Haar werkzaamheden bestonden uit het verlenen van zorg aan (voornamelijk) ouderen. In eerste instantie verleende De Buurtzuster alleen thuiszorg bij mensen in Drenthe en Groningen vanuit de vestiging Roden. En was er geen bancaire financiering.
BMC). Bestuurder en enig aandeelhouder van BMC is [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). Echtgenoot van [betrokkene 1] (ten tijde van het faillissement) was [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van Brogera Beheer B.V. (hierna:
Brogera). BMC en Brogera waren (tot 19 dagen voor het faillissement) bestuurders van Brogema Real Estate B.V. (hierna:
BRE). Ten tijde van het faillissement waren BMC en Brogera 50%-aandeelhouders van BRE.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Plan van behandeling
deel b) vang ik aan met het wettelijk kader. Onder 3.4-3.6 hierna (
deel c) wordt Hoge Raad-rechtspraak in kaart gebracht. Onder 3.7-3.8 hierna (
deel d) gevolgd door een schets van de literatuur. Dit alles voor zover relevant in het licht van de onder 2.6 hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. Onder 3.9-3.9.10 hierna (
deel e) komen delen b t/m d bij elkaar in een synthese, als opmaat naar het slot van deze conclusie. Onder 3.10-3.10.5 hierna (
deel f), genoemd slot, is de blik weer gericht op genoemde vragen. Die ik daar beantwoord met inachtneming van delen b t/m e.
Wettelijk kader
T.M.In dit artikel [17] en de twee volgende wordt het onderlinge regres tussen de hoofdelijke schuldenaren geregeld. Terwijl de artikelen 1328 en 1329 van het geldende wetboek bepalen dat de schuldenaren onder elkaar verbonden zijn “ieder voor zijn aandeel”, bepaalt het eerste lid van het onderhavige artikel dat iedere schuldenaar in de schuld moet bijdragen voor dat gedeelte dat hem (intern) aangaat.
(…)” [18] [zonder verwijzingen in origineel, A-G]
M.v.A. II Inv.1. De commissie heeft gevraagd naar mijn oordeel over de opvatting van Van Verschuer (W.P.N.R. 5720) dat de regeling van het eerste lid van dit artikel [art. 6:13 lid 1 BW Pro, A-G] in bepaalde gevallen bij concernverhoudingen tot onredelijke gevolgen kan leiden. Eer deze vraag kan worden beantwoord, moet het volgende worden vooropgesteld. De beschouwingen van Van Verschuer, alsook die van Rutten (Goed en Trouw, p. 515 e.v.), welke hij tot uitgangspunt neemt, hebben vooral betrekking op het huidige recht en op de moeilijkheden die zich daar hebben voorgedaan naar aanleiding van de zgn. sterfhuisconstructie, onder meer in verband met de onzekerheid van de uitleg van de huidige artikelen 1329 e.v. B.W. betreffende hoofdelijke verbintenissen. (…)
(…)
ten aanzien van de bankhoofdelijk schuldenaar zonder aandeel in de schuld te hebben, onverschillig of een deel van de door de bank verstrekte lening al of niet aan hen is doorgegeven”. Om te beginnen kan worden opgemerkt dat zonder uitdrukkelijke wettelijke of contractuele bepaling een eenzijdige, zuiver administratieve handeling als een boeking op een punt als het onderhavige moeilijk beslissend kan zijn. Belangrijker is echter dat, afgezien van het geval dat een of meer van de dochtervennootschappen extern jegens de bank als borg in de zin van titel 7.14 zouden zijn opgetreden, het er in afdeling 6.1.2 niet om gaat aan wie van de schuldenaren de schuld aangaat “
ten aanzien van de bank”, maar aan wie van hen de schuld aangaat “in hun onderlinge verhouding”. Het ligt in dit stelsel voor de hand dat dit - bij gebreke van eerdere of latere overeenkomsten in andere zin - degenen zijn die het krediet hebben gebruikt of te wier beschikking het is gekomen. Men zie ook H.R. 21 november 1946, NJ 1947, 24, waar in een geval van een gezamenlijke geldlening wordt gezegd dat het aankomt op de vraag “aan wie van die schuldenaren overeenkomstig hun bedoeling, de tegenwaarde van hun hoofdelijke schuld ten goede is gekomen”.
Hoge Raad-rechtspraak
Dit geval betrof de - voorheen in gemeenschap van vruchten en inkomsten gehuwde, nadien gescheiden - echtelieden [de vrouw] (de vrouw) en [de man] (de man), die zich ten tijde van hun huwelijk hoofdelijk verbonden hadden tot terugbetaling van een aan hen verstrekte geldlening. De vrouw heeft in dat verband op een haar toebehorende onroerende zaak een eerste recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van de leninggever (een bank). De vrouw heeft de zaak na de echtscheiding verkocht en van de opbrengst de hoofdsom van de lening met de rente (totaal bedragende ƒ 21.150,--) voldaan aan de bank. Zij heeft daarna in rechte betaling gevorderd van de man als hoofdelijk medeschuldenaar van de bank voor de helft van het door haar aan de bank voldane bedrag. Waarop de man zich heeft verweerd door te stellen dat de schuld aan de bank alleen de vrouw aanging, nu het ter leen ontvangen bedrag (van ƒ 21.000,--) slechts ertoe strekte om ten behoeve en ten name van de vrouw de zaak te kopen (voor de prijs van ƒ 19.000,--) en voor het resterende gediend heeft voor de verbouwing van de woning in kwestie, terwijl zij in gemeenschap van vruchten en inkomsten (buiten gemeenschap van goederen) gehuwd waren.
De rechtbank kwam bij eindvonnis tot toewijzing van de vordering van de vrouw, welk vonnis in hoger beroep werd bekrachtigd. In dat arrest kwam het gerechtshof onder meer tot ontkennende beantwoording van de vraag of zich hier voordeed het in art. 1331 BW Pro (oud) voorziene geval dat de schuld, ondanks de gezamenlijke geldlening, slechts een van partijen (hier de vrouw) aanging. Daartoe overwegend dat, voor zover deze ontkennende beantwoording niet reeds volgde uit de hoofdelijke verbondenheid van de vrouw en de man jegens de bank, deze in elk geval moest worden aangenomen nu de man, die in gemeenschap van vruchten en inkomsten met de vrouw was gehuwd, uit de aankoop van de zaak in die zin voordeel heeft genoten “dat hij daarin te zamen met [de vrouw] heeft gewoond en dus uit de gezamenlijke inkomsten geen bedrag tot het huren van de echtelijke woning behoefde uit te leggen, dan wel de helft van de inkomsten van het pand, indien het werd verhuurd, te zijnen bate kwamen.”
De Hoge Raad ging hierin evenwel niet mee, daartoe als volgt overwegend: [22]
dat mitsdien dit middel is gegrond; (…).”
De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Het gerechtshof heeft dit vonnis bij eindarrest bekrachtigd.
In cassatie werd dit eindarrest zonder vrucht bestreden. Ik citeer hetgeen de Hoge Raad daartoe overwoog: [24]
3.5.4 Het falen van onderdeel II.2 maakt dat de o.g.-maatschappijen geen belang hebben bij een beoordeling van onderdeel II.1, dat zich keert tegen het eerste in rov. 4.5 vervatte oordeel.
De vordering werd toegewezen door de rechtbank, afgewezen door het gerechtshof. De redenering van het gerechtshof kwam neer op het volgende. Uit een door JVS Beheer B.V. overgelegde brief van de bank blijkt dat de bank voorafgaande aan het faillissement de rekeningen van Cekadak Noord B.V. en JVS Beheer B.V. heeft gesaldeerd, dat de vennootschappen daarna nog slechts het resterende saldo van € 222.380,72 behoefden te voldoen en dat JVS Beheer B.V. vervolgens genoemd bedrag van € 172.689,61 heeft afgelost. Doordat de rekeningen van Cekadak Noord B.V. slechts debetstanden vertoonden en de rekeningen van JVS Beheer B.V. slechts creditstanden, heeft JVS Beheer B.V. bij genoemde saldering de bedragen van € 402,38 en € 223.287,24 voldaan ter aflossing van de schuld uit de lening en de kredietfaciliteit. In totaal heeft JVS Beheer B.V. derhalve een bedrag van € 396.379,23 voldaan ter aflossing van die schuld. Dat is ruim meer dan de som van de helft die JVS Beheer B.V. diende te dragen (€ 216.365,17), en haar schuld uit de rekening-courantverhouding met Cekadak Noord B.V. (oorspronkelijk € 147.966,--). De curator heeft derhalve niets van JVS Beheer B.V. te vorderen.
Het
principalecassatieberoep keerde zich tegen genoemd oordeel van het gerechtshof dat JVS Beheer B.V. door de saldering door de bank die is vermeld in de brief van de bank de schuld heeft afgelost voor de bedragen van € 402,38 en € 223.287,24. En met succes, aldus de Hoge Raad. Door zo te oordelen heeft het gerechtshof de feitelijke grondslag van het verweer van JVS Beheer B.V. aangevuld en is het zonder enige overweging voorbijgegaan aan de herhaalde opmerking van de curator in de stukken dat de in deze brief omschreven saldering niet heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit deze brief en een bepaald dagafschrift onmiskenbaar dat die saldering niet heeft plaatsgevonden. [26] Het
incidentelecassatieberoep klaagde dat het gerechtshof bij dit oordeel ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van JVS Beheer B.V. dat zij in haar onderlinge verhouding tot Cekadak Noord B.V. niet draagplichtig is met betrekking tot de schuld, omdat de schuld binnen het concern waarvan JVS Beheer B.V. en Cekadak Noord B.V. deel uitmaken voor rekening komt van laatstgenoemde. Eveneens met succes, aldus de Hoge Raad. Het gerechtshof heeft kennelijk op basis van bepaalde - niet in geschil zijnde - feiten [27] en de hoofdregel van art. 6:6 lid 1 BW Pro aangenomen dat, zoals door de curator aan zijn vordering ten grondslag is gelegd, Cekadak Noord B.V. en JVS Beheer B.V. de schuld voor gelijke delen hebben te dragen. Daarmee is het gerechtshof inderdaad zonder voldoende motivering voorbijgegaan aan genoemde stelling van JVS Beheer B.V. Deze hoofdregel ziet op de aansprakelijkheid in de verhouding tussen de schuldeiser en de schuldenaren die de betrokken prestatie verschuldigd zijn en niet op de onderlinge draagplicht van de schuldenaren. Uit de rechtsverhouding die tussen de schuldenaren bestaat, kan een andere verdeling van die onderlinge draagplicht volgen, op grond waarvan de schuldenaar die meer heeft betaald dan hem in de onderlinge verhouding aangaat, regres kan nemen op de andere schuldenaar of schuldenaren. [28] Het gerechtshof had derhalve moeten ingaan op genoemde stelling van JVS Beheer B.V. [29] Met het oog op de behandeling van de zaak na cassatie en verwijzing, merkte de Hoge Raad nog het volgende op: [30]
Indien binnen een concern of tussen de desbetreffende tot een concern behorende vennootschappen geen afspraken zijn gemaakt of geen regeling is getroffen over de toerekening van leningen en kredieten die zijn verstrekt aan twee of meer van tot dat concern behorende vennootschappen gezamenlijk, wordt hun onderlinge draagplicht bepaald door het antwoord op de vraag wie de schuld aangaat.
In hoger beroep was tussen partijen in geschil welk gedeelte van dit door belanghebbende betaalde bedrag ad € 7.212,-- als verlies uit overige werkzaamheden in aanmerking moest worden genomen.
Ik citeer de Hoge Raad, waar hij een samenvatting gaf van het bestreden oordeel en vervolgens het cassatieberoep behandelde: [32]
3.5.4. Het Hof heeft zich aangesloten bij het gemeenschappelijke oordeel van partijen dat voor het geval belanghebbende in het gelijk zou worden gesteld naast het reeds geaccepteerde bedrag van € 1442 een zelfde bedrag als verlies uit overige werkzaamheden in aanmerking dient te worden genomen, en in totaal € 2884 als verlies uit overige werkzaamheden aangemerkt. Het Hof heeft evenwel belanghebbende, die stelde dat eenvijfde gedeelte van de totale schuld moet worden beschouwd als te zijn geleend door belanghebbende van de bank en doorgeleend door belanghebbende aan B BV, niet in het gelijk gesteld. Het Hof heeft immers de uit de kredietverstrekking ontstane onderlinge rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke schuldenaren aldus opgevat dat belanghebbende door de betaling van € 7212 aan de bank voor dat gehele bedrag een regresvordering kreeg op B BV, welke opvatting niet strookt met belanghebbendes opvatting dat hij voor eenvijfde gedeelte van dat bedrag een vordering uit geldlening had op B BV. Het Hof heeft zich derhalve ten onrechte aangesloten bij eerdervermeld oordeel van partijen.
3.5.5. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het middel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. In cassatie is niet bestreden 's Hofs impliciete oordeel dat er geen aanleiding bestaat de vorderingen van belanghebbende op A BV, D en C BV onvolwaardig te achten. Ten gevolge van een en ander drukt tot een bedrag van € 5409 de afwaardering van de vordering op B BV niet op belanghebbende en dient per saldo bij belanghebbende in het onderhavige jaar een negatief resultaat uit overige werkzaamheden tot een bedrag van € 1803 in aanmerking te worden genomen.”
In hoger beroep was tussen partijen in geschil of belanghebbende terecht het verlies uit de garantstelling ten laste van haar winst heeft gebracht.
Ik citeer de Hoge Raad, waar hij een samenvatting gaf van het bestreden oordeel en vervolgens het cassatieberoep behandelde: [34]
Literatuur
Synthese
Ik betrek daarbij de door de Hoge Raad aangehaalde parlementaire geschiedenis. In het bijzonder waar staat, [57] in het kader van draagplichtvaststelling bij financiering in concernverband, dat:
ten aanzien van de bank”, maar aan wie van hen de schuld aangaat “in hun onderlinge verhouding”. Het ligt in dit stelsel voor de hand dat dit - bij gebreke van eerdere of latere overeenkomsten in andere zin -
degenen zijn die het krediet hebben gebruikt of te wier beschikking het is gekomen. Men zie ook H.R. 21 november 1946, NJ 1947, 24, waar in een geval van een gezamenlijke geldlening wordt gezegd dat het aankomt op de vraag “aan wie van die schuldenaren overeenkomstig hun bedoeling, de tegenwaarde van hun hoofdelijke schuld ten goede is gekomen”.” [58] [onderstreping toegevoegd, A-G].
Ik betrek daarbij verder dat de Hoge Raad bij genoemde verduidelijking in zijn arrest van 13 juli 2012 redeneert vanuit het gevaltype waarin binnen een concern of tussen de desbetreffende tot een concern behorende vennootschappen geen afspraken zijn gemaakt of geen regeling is getroffen over de toerekening van leningen en kredieten die zijn verstrekt
aan twee of meer van tot dat concern behorende vennootschappen gezamenlijk. Zie onder 3.9.2 sub a hiervoor. Dat geval lag ook voor in die zaak. Zie onder 3.4.3 hiervoor. Het ligt niet in de rede dat de onder 3.9.2 sub b hiervoor bedoelde overweging van de Hoge Raad - via “of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen” - als uitgangspunt insluit dat de enkele toegankelijkheid tot deze financiering voor een concernvennootschap reeds haar draagplicht in de onderlinge verhouding (voor een nader te bepalen omvang) oplevert, omdat aan deze overweging, die verder alleen verwijst naar de overige relevante omstandigheden van het geval, dan wel erg weinig onderscheidend vermogen zou toekomen. [62] Langs die weg zouden dan in beginsel als ‘één pot nat’
allebetrokken concernvennootschappen (in dit geval Cekadak Noord B.V. en JVS Beheer B.V.) binnen de kring van draagplichtige schuldenaren worden getrokken, nu voor al die concernvennootschappen ten minste geldt - zie onder 3.9.2 sub a-b hiervoor - dat aan hen gezamenlijk de leningen en/of kredieten zijn verstrekt. Dit ligt anders waar “wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen” ziet op wie van de concernvennootschappen daadwerkelijk via het vermogen concreet profijt heeft gehad van de desbetreffende financiering zelf (dus doordat de desbetreffende concernvennootschap geacht kan worden (een deel van) de gelden uit de lening en/of het krediet in haar vermogen te hebben ontvangen, ter verdere aanwending), hetgeen niet automatisch opgaat voor al die concernvennootschappen. Voor welke benadering, zoals gezegd, de parlementaire geschiedenis dus ook een basis biedt. Het voorgaande klemt temeer door het feit dat volgens de Hoge Raad het gerechtshof in het arrest a quo nader had moeten ingaan op de stelling van JVS Beheer B.V. dat zij in haar onderlinge verhouding tot Cekadak Noord B.V. niet draagplichtig is met betrekking tot de schuld, omdat de schuld binnen het concern waarvan JVS Beheer B.V. en Cekadak Noord B.V. deel uitmaken voor rekening komt van laatstgenoemde. Welke stelling van JVS Beheer B.V. na cassatie en verwijzing dus nog ter beoordeling voorlag.
Ik betrek ten slotte dat in de literatuur van na genoemd Hoge Raad-arrest van 13 juli 2012 dit arrest in meerderheid niet zo wordt verstaan dat, kort gezegd, “wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen” tevens omvat: reeds het enkele toegankelijk zijn van deze financiering voor een concernvennootschap. Zie onder 3.7.3-3.7.6 hiervoor, waarbij de uitzondering in het bijzonder te vinden valt onder 3.7.5 hiervoor.
rechtstreeks van de schuldeiser, dus de (externe) financier. Ik beantwoord deze vraag ontkennend, anders dan auteurs in de onder 3.7.3 hiervoor bedoelde eerste stroming binnen de enkelvoudige benadering.
In de
eersteplaats, omdat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 juli 2012 - specifiek de onder 3.9.2 sub b hiervoor weergegeven overweging - niet schrijft dat het slechts gaat om genoemde concernvennootschappen voor zover door deze daadwerkelijk op basis van een lening en/of krediet gelden zijn ontvangen in het vermogen
rechtstreeks van de schuldeiser. Zie onder 3.4.3 hiervoor. Net zomin als dit laatste staat in de parlementaire geschiedenis waarnaar hij daarbij verwijst. Zie onder 3.2.8 en 3.9.4 hiervoor. Aan te nemen valt dat als de Hoge Raad dit wel had bedoeld, hij dit ook met zoveel woorden tot uitdrukking had gebracht. Dat wordt niet anders door diens toevoeging “alsmede op alle overige relevante omstandigheden van het geval” aldaar. Ook hier staat niet dat het slechts gaat om genoemde concernvennootschappen voor zover door deze daadwerkelijk op basis van een lening en/of krediet gelden zijn ontvangen in het vermogen
rechtstreeks van de schuldeiser. Noch dat het daarbij enkel en alleen gaat om een mogelijke correctie over de band van de redelijkheid en billijkheid op dit laatste (wat dan de betekenis zou zijn van “wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen”), wanneer dat in de gegeven omstandigheden op zijn plaats is. Wel dat bij beantwoording van de onder 3.9.2 sub a hiervoor bedoelde vraag ook moet worden gelet op de overige relevante omstandigheden van het geval, dus náást de omstandigheid “wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen”. Een ruim opgezette formulering derhalve. Zie onder 3.9.2 sub b hiervoor.
In de
tweedeplaats, omdat de Hoge Raad daarbij - met die parlementaire geschiedenis - uitgaat van twee te onderscheiden situaties, met dus als gemeenschappelijk kenmerk dat het gaat om een of meer concernvennootschappen die daadwerkelijk via het vermogen concreet profijt hebben gehad van de desbetreffende financiering zelf (dus doordat de desbetreffende concernvennootschap geacht kan worden (een deel van) de gelden uit de lening en/of het krediet in haar vermogen te hebben ontvangen, ter verdere aanwending). Zie onder 3.9.4 hiervoor. Hij verwijst immers naar:
ofte wier beschikking de lening of het krediet is gekomen”.
[cursivering toegevoegd, A-G]
In de
derdeplaats, omdat de bredere context van die parlementaire geschiedenis daarvoor houvast biedt. Deze context bestaat uit een reactie op de visie van Rutten. [63] Over die visie valt daar het volgende te lezen: [64]
ten aanzien van de bankhoofdelijk schuldenaar
zonder aandeel in de schuld te hebben, onverschillig of een deel van de door de bank verstrekte lening al of niet aan hen is doorgegeven”.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
ten aanzien van de bank”, maar aan wie van hen de schuld aangaat “in hun onderlinge verhouding”.
Het ligt in dit stelsel voor de hand dat dit - bij gebreke van eerdere of latere overeenkomsten in andere zin - degenen zijn die het krediet hebben gebruikt of te wier beschikking het is gekomen. Men zie ook H.R. 21 november 1946, NJ 1947, 24, waar in een geval van een gezamenlijke geldlening wordt gezegd dat het aankomt op de vraag “aan wie van die schuldenaren overeenkomstig hun bedoeling, de tegenwaarde van hun hoofdelijke schuld ten goede is gekomen”.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
In de
vierdeplaats, omdat het in het laatste citaat genoemde Hoge Raad-arrest van 21 november 1946 - dat hij overigens niet noemt in zijn arrest van 13 juli 2012 - daartoe ook ruimte laat. Onder 3.4.1 hiervoor ben ik ingegaan op dit arrest van 21 november 1946. Het springende punt voor de Hoge Raad in dat specifieke geval [66] - over twee voormalige echtelieden, gehuwd buiten gemeenschap van goederen - was dat de tegenwaarde van de schuld waarvoor de vrouw en de man hoofdelijk aansprakelijk waren jegens de schuldeiser, zijnde het geleende bedrag, uitsluitend het vermogen van de vrouw ten goede was gekomen. Met het geleende bedrag verwierf immers zij - niet (ook) de man - een onroerende zaak (een woning), die zij voor een deel van dat bedrag ook liet verbouwen. Hieraan deed volgens de Hoge Raad niet af de omstandigheid dat door de man uit dit vermogen van de vrouw voordeel werd genoten in die zin dat de vruchten van deze zaak mede te zijnen bate kwamen. M.i. laat een dergelijk geval zich onderscheiden van genoemd geval waarin aan een of meer concernvennootschappen daadwerkelijk die gelden worden verschaft via een andere concernvennootschap, die deze gelden (zelf onder de financiering rechtstreeks heeft ontvangen van de schuldeiser en) binnen het concern doorgeleidt. In zo’n laatste geval kan immers worden gezegd dat de tegenwaarde van de schuld, zijnde die gelden, ook het vermogen van eerstgenoemde concernvennootschappen bereikt en daarmee ten goede komt. Het is dan toch niet zo dat door deze concernvennootschappen slechts voordeel werd genoten uit het vermogen van de doorgeleidende concernvennootschap in die zin dat vruchten van die gelden mede te hunner bate kwamen.
directvan karakter is.
Ik zou menen dat deze lijn door te trekken valt naar dat verwante, maar te onderscheiden geval waarin aan een of meer concernvennootschappen daadwerkelijk die gelden worden verschaft via een andere concernvennootschap, die deze gelden (zelf onder de financiering rechtstreeks heeft ontvangen van de schuldeiser en) binnen het concern doorgeleidt. Weliswaar ontvangen in zo’n geval genoemde concernvennootschappen die gelden niet in het vermogen rechtstreeks van die financier, maar via die doorgeleidende concernvennootschap. Dit laat onverlet dat in zo’n geval eveneens aan te nemen valt dat de tegenwaarde van de schuld, zijnde die gelden, ook het vermogen van genoemde concernvennootschappen bereikt en daarmee ten goede komt. Zie onder 3.9.5 hiervoor. Het komt mij voor dat dit laatste zuiverder is, als aanknopingspunt ter beantwoording van de vraag of genoemd profijt een direct karakter heeft, dan de omstandigheid dat genoemde concernvennootschappen die gelden al dan niet ontvingen in het vermogen via een doorgeleidende concernvennootschap. [68] In beide gevallen heeft de desbetreffende concernvennootschap daadwerkelijk via het vermogen concreet profijt gehad van de desbetreffende financiering zelf (dus doordat zij geacht kan worden (een deel van) de gelden uit de lening en/of het krediet in haar vermogen te hebben ontvangen, ter verdere aanwending), zoals bedoeld onder 3.9.4 hiervoor.
indirectewijze. Het zou dan meer precies gaan om profijt van de financiering dat deze concernvennootschappen hebben níet eruit bestaande dat (een deel van) de tegenwaarde van de schuld, zijnde de gelden, hun vermogen bereikt en daarmee ten goede komt. Oftewel profijt anders dan van de desbetreffende financiering zelf (dus zonder dat de desbetreffende concernvennootschap geacht kan worden (een deel van) de gelden uit de lening en/of het krediet in haar vermogen te hebben ontvangen, ter verdere aanwending). Oftewel vallend buiten de vraag “wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen”. Hier past eveneens een genuanceerd antwoord.
Enerzijdslaat de Hoge Raad die mogelijkheid m.i. open in zijn arrest van 13 juli 2012. Hij benadrukt daar immers dat bij de beantwoording van de onder 3.9.2 sub a hiervoor bedoelde vraag moet worden gelet op alle relevante omstandigheden van het geval, wat in ieder geval insluit dat erop moet worden gelet wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen. Zie onder 3.4.3 en 3.9.2 sub b hiervoor. Dus dat bij beantwoording van die vraag tevens acht moet worden geslagen op de overige relevante omstandigheden van het geval, náást de omstandigheid “wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen”. Zie ook onder 3.9.5 hiervoor. Deze multi-factor benadering impliceert dat bij beantwoording van die vraag tevens een rol kan spelen wat ik hiervoor duidde als profijt dat indirect van karakter is, te onderscheiden van de vraag “wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen”. Dat valt dan niet op voorhand uit te sluiten. Wat mij ook reëel voorkomt, passend bij de idee van een redelijke en billijke verdeling van draagplicht tussen de betrokken (hoofdelijke) schuldenaren.
De tekst van de wet, waaronder art. 6:10 BW Pro, staat daaraan niet in de weg. Daarin is immers niet nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat de (hoofdelijke) schuldenaar “aangaat” moet worden vastgesteld. Zie onder 3.2.3 hiervoor. Bovendien biedt ook de parlementaire geschiedenis die de Hoge Raad daar aanhaalt ruimte voor die door hem opengelaten mogelijkheid. Het tegendeel lees ik nergens daarin. De in het laatste citaat onder 3.9.5 hiervoor onderstreepte woorden “Het ligt in dit stelsel voor de hand”, etc. [73] nopen niet tot de conclusie dat de wetgever ‘dus’ bedoeld heeft bij genoemde vaststelling categorisch iedere vorm van zulk indirect profijt uit te sluiten. Daarbij betrek ik de behandeling in de Toelichting Meijers van het Ontwerp Meijers dat is uitgemond in “dit stelsel” (dus Titel 1, Afdeling 2 van Boek 6 BW), zoals geciteerd onder 3.2.7 hiervoor. Daarin wordt, in het kader van art. 6:10 BW Pro en de geformuleerde omstandigheden en beginselen die uitsluitsel kunnen geven, nadrukkelijk niet alleen van belang geacht in hoeverre de tegenwaarde van de schuld ieder van de hoofdelijke schuldenaren ten goede is gekomen (welke omstandigheid daarin bovendien vooral van belang wordt geacht wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn). Want bijvoorbeeld ook opgemerkt dat tevens “de beginselen van de ongerechtvaardigde verrijking nog een rol [kunnen] spelen.” Hetgeen in lijn ligt met de onderkenning in die parlementaire geschiedenis dat geen algemene regels te geven zijn omtrent de vaststelling van het gedeelte van de schuld dat de hoofdelijke schuldenaar “aangaat”. Zie ook onder 3.9.1 hiervoor.
Anderzijdsis van belang de vooropstelling van de Hoge Raad in genoemd arrest dat “[erop] moet worden gelet wie de lening of het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen”. Daarmee als gezegd bedoelend en benadrukkend dat vooreerst erop moet worden gelet wie van de concernvennootschappen daadwerkelijk via het vermogen concreet profijt heeft gehad van de desbetreffende financiering zelf (dus doordat de desbetreffende concernvennootschap geacht kan worden (een deel van) de gelden uit de lening en/of het krediet in haar vermogen te hebben ontvangen, ter verdere aanwending). Zie onder 3.9.4-3.9.6 hiervoor. Met die vooropstelling staat op gespannen voet een invulling van genoemd profijt dat indirect van karakter is, voor zover deze invulling niet in het algemeen vereist dat de concernvennootschap in kwestie daadwerkelijk via het vermogen concreet profijt heeft gehad dat zich redelijkerwijs laat toerekenen aan de desbetreffende financiering. Daarmee zou deze invulling conceptueel juist in hoge mate abstract zijn, wat tegenstrijdig is aan de onder 3.9.4-3.9.6 hiervoor bepleite benadering bij profijt met een direct karakter. En daarmee zou ook het gevaar ontstaan, nu ‘indirect profijt’ op zichzelf een rekbaar begrip is en - zeker in abstracto - enig afgeleid voordeel in concernverband van een concernvennootschap die niet zelf die financiering heeft gebruikt of ter beschikking heeft gekregen veelal construeerbaar zal zijn, dat de schuld een concernvennootschap wel erg snel aangaat en daarmee voor haar in de onderlinge verhouding draagplicht (voor een nader te bepalen omvang) oplevert. Dat komt niet als een evenwichtige uitkomst voor.
Tot uitgangspunt strekt derhalve dat, wil zulk profijt dat indirect van karakter is aangenomen kunnen worden, welke mogelijkheid bestaat, de concernvennootschap in kwestie daadwerkelijk via het vermogen concreet profijt moet hebben gehad dat geen direct karakter heeft en zich redelijkerwijs laat toerekenen aan de desbetreffende financiering. Wat insluit dat dergelijk indirect profijt te begroten moet zijn. Dan gaat de schuld haar aan en heeft zij in de onderlinge verhouding dus draagplicht (voor een nader te bepalen omvang). Dit is naar de aard omstandighedenafhankelijk, waarbij bijvoorbeeld de aard van de concernverhoudingen een rol kan spelen (zoals de mate waarin concernvennootschappen wat betreft de eigen activiteiten leunen op andere delen van het concern). Ook dit is een van-geval-tot-geval te beantwoorden feitelijke vraag. Ik geef een voorbeeld. Van zulk profijt met een indirect karakter is m.i. in beginsel sprake waar een concernvennootschap (A) over een bepaalde periode voor haar activiteiten gebruik maakt van een gebouw dat eigendom is en blijft van een andere vennootschap binnen het concern (B), B het gebouw heeft verworven met van een derde afkomstige financiering waarvoor A ook hoofdelijke schuldenaar is en A gezien de concernverhoudingen voor dat gebruik geen (zakelijke) vergoeding betaalt aan B, waarmee A een kwantificeerbaar bedrag aan kosten bespaart die zij redelijkerwijs wel had moeten maken indien het gebouw eigendom was geweest van een derde en A op basis van een zakelijke transactie met die derde gebruik had gemaakt van het gebouw. [74] Dit een en ander sluit ook aan op de onder 3.7.4 hiervoor bedoelde literatuur inzake de tweede stroming in de enkelvoudige benadering, mede over de relevantie van indirectere vormen van profijt dat een concernvennootschap kan hebben bij die financiering. Daarbij verdient nog opmerking dat waar een concernvennootschap direct profijt heeft genoten van de desbetreffende financiering, dit niet uitsluit dat deze vennootschap ook indirect profijt heeft gehad van die financiering. Wat andersom eveneens geldt: een concernvennootschap die indirect profijt heeft genoten van de desbetreffende financiering kan ook direct profijt daarvan hebben gehad.
Dit kader laat - ook in meer complexe casus - alle ruimte voor maatwerk door de rechter in het concrete geval, gericht op een redelijke en billijke verdeling van draagplicht tussen de betrokken (hoofdelijke) schuldenaren. De uiteenzetting onder 3.9.1-3.9.8 hiervoor biedt mogelijke oplossingsrichtingen in dat verband. Daarbij breng ik in herinnering wat reeds is opgemerkt in de Toelichting Meijers op het Ontwerp Meijers; in het bijzonder dat waar de daarin bedoelde omstandigheden en beginselen geen uitsluitsel kunnen geven, bij wege van vangnet een draagplicht voor gelijke delen als aangewezen oplossing valt aan te merken. En zij verder bedacht dat (hoofdelijke) schuldenaren het veelal in eigen hand hebben om de draagplicht in hun onderlinge verhouding vooraf of achteraf in overleg te verdelen, zoals ook wordt benadrukt in de parlementaire geschiedenis (zie onder 3.2.7-3.2.8 hiervoor) en het Hoge Raad-arrest van 13 juli 2012 (zie onder 3.4.3 en 3.9.2 sub a hiervoor).
In de onder 3.9.2 hiervoor vooropgestelde verduidelijking van de Hoge Raad in het arrest van 13 juli 2012 redeneert hij vanuit het gevaltype waarin binnen een concern of tussen de desbetreffende tot een concern behorende vennootschappen geen afspraken zijn gemaakt of geen regeling is getroffen over de toerekening van leningen en kredieten
die zijn verstrekt aan twee of meer van tot dat concern behorende vennootschappen gezamenlijk. Welke concernvennootschappen aldus allemaal, in de verhouding tot de verstrekker van de financiering, leningnemer en/of kredietnemer zijn. Zie onder 3.9.2 sub a hiervoor. Dat geval lag ook voor in die zaak. Zie onder 3.4.3 hiervoor. De Hoge Raad overweegt daarbij niet dat genoemde verduidelijking alleen opgaat in specifiek zo’n geval.
Ik zie niet in waarom hetgeen de Hoge Raad daarop laat volgen als weergegeven onder 3.9.2 sub b-c hiervoor - daarbij open formulerend, in navolging van de parlementaire geschiedenis - anders zou moeten luiden indien wordt geredeneerd vanuit een te onderscheiden maar verwant gevaltype, waarin die financiering is verstrekt aan het concern via een concernvennootschap (welke concernvennootschap aldus, in verhouding tot de verstrekker van de financiering, de leningnemer en/of kredietnemer is) en waarbij laatstgenoemde en een of meer andere concernvennootschappen (hoofdelijk) schuldenaar zijn jegens de verstrekker van die financiering. Noch waarom voor zo’n gevaltype niet zou opgaan wat ik uiteenzette onder 3.9.1 en 3.9.3-3.9.9 hiervoor.
In de onderhavige procedure rept de rechtbank ten aanzien van de voorliggende verhoudingen tussen de vennootschappen niet van een ‘concern’, welk begrip overigens - anders dan bijvoorbeeld ‘groep’ in art. 2:24b BW - geen wettelijke definitie in het BW kent. Gezien de feiten en omstandigheden van dit geval als weergegeven door de rechtbank (zie onder 1.1 sub (i) t/m (xiii) hiervoor) en de door haar geformuleerde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (zie onder 2.6 hiervoor), is er m.i. evenwel afdoende basis om genoemd Hoge Raad-arrest en hetgeen ik overigens uiteenzette onder 3.9.1-3.9.9 hiervoor in aanmerking te nemen bij de beantwoording van genoemde vragen. Die lijnen laten zich hier hoe dan ook verantwoord doortrekken.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
directprofijt van de lening of het krediet eruit bestaat dat de (zuster)vennootschap geacht kan worden bepaalde gelden te hebben ontvangen uit die financiering in haar vermogen, ter verdere aanwending. Daarbij kan sprake zijn van doorgeleiding van die gelden naar de (zuster)vennootschap door de andere vennootschap (in welk geval eerstgenoemde vennootschap die gelden dus wel ontvangt in het vermogen, maar niet rechtstreeks van de schuldeiser). Wat vergt dat in de gegeven feiten en omstandigheden die gelden zich redelijkerwijs laten toerekenen aan die financiering via zo’n doorgeleidingsstroom. Dit een en ander geldt ongeacht of die financiering kwalificeert als concern- of objectfinanciering (als bedoeld in Tussenvonnis I) dan wel anderszins. En voorts (ii) dat zulk
indirectprofijt van die financiering neerkomt op profijt dat de (zuster)vennootschap daarvan heeft genoten níet eruit bestaande dat bepaalde gelden uit die financiering haar vermogen hebben bereikt en daarmee ten goede zijn gekomen (nu dit laatste de kern is van het hebben gebruikt of ter beschikking zijn gekomen van de lening of het krediet, oftewel van direct profijt van die financiering; waarover onder (i) hiervoor). Waarbij tot uitgangspunt strekt dat, wil hier profijt dat indirect van karakter is aangenomen kunnen worden, de (zuster)vennootschap daadwerkelijk via het vermogen concreet profijt moet hebben gehad dat geen direct karakter heeft en zich redelijkerwijs laat toerekenen aan de desbetreffende financiering. Wat insluit dat dergelijk indirect profijt te begroten moet zijn.