ECLI:NL:PHR:2012:BW5164
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke grondslag voor politiebevelen in APV Ridderkerk en toepassing art. 184 Sr
De zaak betreft de vraag of een vordering van politieambtenaren op grond van artikel 2.1.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Ridderkerk, die burgers verplicht zich te verwijderen bij wanordelijkheden, kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het hof had geoordeeld dat deze APV-bepaling, in samenhang met artikel 6.2 APV, een voldoende uitdrukkelijke bevoegdheid aan politieambtenaren verleent om bevelen te geven, zodat het niet opvolgen van een dergelijk bevel strafbaar is. De verdachte was veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijke vordering.
In cassatie wordt dit oordeel bestreden met het argument dat de APV niet expliciet een bevelsbevoegdheid toekent en dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad artikel 2 Politiewet Pro (de grondslag van de APV-bepaling) geen wettelijk voorschrift is dat bevelen aan burgers kan opleggen met strafrechtelijke sancties bij niet-naleving. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen heeft gehanteerd en dat de bewezenverklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.