ECLI:NL:GHARN:2010:BM1084
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag van rechtsvervolging wegens ontbreken wettelijk voorschrift voor vordering politie
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het niet opvolgen van een vordering tot verwijdering, gedaan op grond van een bepaling in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Hof van Twente, strafbaar is als overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte werd ervan beschuldigd op 16 augustus 2009 te hebben geweigerd een vordering van een politieambtenaar op te volgen om zich te verwijderen van een plaats waar een aanhouding plaatsvond.
Het hof stelde vast dat de vordering was gebaseerd op artikel 2:1 APV Pro Hof van Twente, welke op zijn beurt is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Politiewet 1993. Artikel 2 Politiewet Pro 1993 bevat echter slechts een algemene taakomschrijving voor de politie en verleent geen zelfstandige bevoegdheid om vorderingen te doen die strafrechtelijk afdwingbaar zijn. De APV kan geen ruimere bevoegdheden toekennen dan de formele wet waarop zij is gebaseerd.
De advocaat-generaal stelde dat de APV-bepaling een zelfstandige bevoegdheid gaf, maar het hof verwierp dit standpunt. Gezien het ontbreken van een wettelijk voorschrift dat de vordering krachtens artikel 184 Sr Pro strafbaar maakt, oordeelde het hof dat het bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit oplevert. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij door ontslag van alle rechtsvervolging.
Dit arrest benadrukt het belang van een wettelijke grondslag voor strafbare vorderingen door politieambtenaren en bevestigt dat algemene taakomschrijvingen in de Politiewet niet volstaan voor strafrechtelijke sancties.
Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van een wettelijk voorschrift voor de vordering tot verwijdering.