ECLI:NL:PHR:2012:BW6666
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing artikel 31 Vluchtelingenverdrag bij verblijf in Griekenland
In deze zaak staat centraal of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van een verdachte die met een vals paspoort Nederland binnenkwam, terwijl hij vanuit Griekenland was gereisd. De verdachte verbleef circa veertig dagen in Athene en gebruikte een paspoort van zijn broer. Het hof oordeelde dat sprake was van verblijf in Griekenland en niet van doorreis, waardoor verdachte niet rechtstreeks uit Somalië kwam. Hierdoor kon hij geen beroep doen op artikel 31 lid 1 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat bescherming biedt aan vluchtelingen die rechtstreeks uit een onveilig land komen.
De advocaat-generaal betoogde dat Griekenland als onveilig land moet worden beschouwd vanwege de slechte opvang en detentieomstandigheden, zoals bevestigd in het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van het EHRM. De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro. Het hof verwierp dit verweer, mede gelet op eerdere uitspraken van de Raad van State en het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat verdachte niet rechtstreeks uit Somalië kwam en dat Griekenland niet als onveilig land kan worden aangemerkt in de zin van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro. De Hoge Raad wijst op het belang van objectieve feiten en omstandigheden bij de beoordeling van verblijf versus doorreis en benadrukt dat het hof terecht het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft gevolgd. De klacht dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd is ongegrond. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het openbaar ministerie is ontvankelijk en verdachte kan geen beroep doen op artikel 31 Vluchtelingenverdrag.