ECLI:NL:PHR:2012:BX1508

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/05108 Hs
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138b Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij afpersing

De zaak betreft een herzieningsverzoek van een veroordeelde die werd beschuldigd van afpersing in vereniging in een videotheek te Almere in november 2003. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef die een positief resultaat gaf voor de verdachte.

Later bleek uit intern onderzoek dat in de periode 1997-2006 geuridentificatieproeven van de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland regelmatig niet volgens protocol werden uitgevoerd, waardoor de betrouwbaarheid van deze proeven in twijfel werd getrokken. De verdachte stelde dat de veroordeling niet had mogen plaatsvinden als de rechter hiervan op de hoogte was geweest.

De Hoge Raad overwoog dat ondanks de onregelmatigheden bij de geurproef, het dossier voldoende andere bewijsmiddelen bevatte, zoals herkenningen door slachtoffers, afwijkende verklaringen van verdachte over zijn verblijfplaats en herkenning van een foto van zijn buik en navel. Hierdoor zou de rechtbank ook zonder de geurproef tot een bewezenverklaring zijn gekomen.

De Hoge Raad concludeert dat het herzieningsverzoek ongegrond is en de veroordeling blijft gehandhaafd.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen en de veroordeling blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 09/05108 Hs
Mr. Fokkens
Zitting 17 april 2012
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 20 april 2004 wegens "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vijftien maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. R.W.A. Offermanns, advocaat te Zeewolde. De raadsman heeft de herzieningsaanvrage op 9 januari 2012 schriftelijk toegelicht.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef.
4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zwolle-Lelystad van 2 april 2007, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Daardoor zouden de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.
5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
6. Het vonnis van de Rechtbank is, hoewel dat niet expliciet wordt vermeld, een verkort vonnis als bedoeld in art. 138b Sr. Omdat er geen hoger beroep is ingesteld, is er bij het vonnis geen aanvulling met de bewijsmiddelen gevoegd. Wel heeft de Rechtbank aan de bewezenverklaring van de aan aanvrager tenlastegelegde afpersing in vereniging een overweging gewijd luidende:
"De rechtbank overweegt daartoe dat, op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het onderliggende dossier, gelet op de positieve geurherkenning van verdachte en de omstandigheid dat de zich in de videotheek bevindende videorecorder zodanig hoog in de winkel is opgesteld dat er geen logische verklaring voor het aantreffen van de geur van verdachte op bedoelde videorecorder is, anders dan dat verdachte door de band uit de videorecorder te halen, daar zijn geurspoor heeft achtergelaten, één en ander in combinatie met de verklaringen van aangeefsters dat de lange dader de videoband heeft weggenomen, alsmede de herkenning van verdachte door [slachtoffer 1 en 2], wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan."
7. In de bewijsvoering van de Rechtbank heeft het resultaat van de geurproef dus duidelijk een rol gespeeld. Om de vraag te kunnen beantwoorden of de betekenis van de uitkomst van de geurproef voor de bewijsvoering zodanig is dat het ernstig vermoeden rijst dat verdachte zou zijn vrijgesproken als het resultaat van de geurproef buiten beschouwing zou zijn gelaten, is het noodzakelijk kennis te nemen van alle uit het dossier blijkende relevante feiten en omstandigheden.
8. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - blijkt het volgende:
a. Op vrijdag 14 november 2003 omstreeks 21.10 uur heeft er een afpersing in vereniging plaatsgevonden in de videotheek [A] gevestigd aan de [a-straat 1] te Almere. Hiervan is aangifte gedaan door onder meer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].(2)
b. Twee mannen, een kleine en een lange, zijn de videotheek binnengekomen. De kleine man heeft aangeefster [slachtoffer 1] bedreigd door een pistool tegen haar hoofd te drukken. Hij vroeg hierbij om geld en mobiele telefoons. [Slachtoffer 1] heeft hierop het geld uit de kassa, haar portemonnee en haar mobiele telefoon gegeven. De lange man met de zeer donkere huidskleur heeft de beveiligingsvideoband uit de recorder gehaald. Hierbij heeft [slachtoffer 1] zijn buik kunnen zien. Het was volgens haar een lange, dunne, smalle buik met een niet erg diepe navel.(3)
c. [Slachtoffer 1] heeft, volgens haar verklaring, beide mannen op 17 november 2003 omstreeks 19.00 uur gezien bij de ingang van de supermarkt Super de Boer tegenover de videotheek aan de [a-straat] vanuit een auto op ongeveer vijf meter afstand. Ze herkende de mannen aan hun lengte en huidskleur. Tevens herkende zij de stem van de lange man als die van de lange, donker getinte overvaller.(4)
e. [Slachtoffer 1] heeft, volgens haar verklaring, beide mannen op 20 november 2003 omstreeks 16.00 uur op ongeveer twintig meter afstand zien staan bij de ingang van de supermarkt Super de Boer tegenover de videotheek aan de [a-straat].(5)
f. Bij een fotoconfrontatie waarbij de aanvrager en medeverdachte [medeverdachte] te zien waren, heeft [slachtoffer 1] bevestigd dat dit de mannen waren die zij op 17 november 2003 en op 20 november 2003 bij de supermarkt Super de Boer heeft herkend als de overvallers.(6)
g. [Slachtoffer 1] heeft op een foto van de buik en de navel van de aanvrager deze herkend als de buik en de navel van de lange overvaller.(7)
h. [Slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 17 november 2003, op verzoek van [slachtoffer 1] naar Super de Boer is gekomen omdat [slachtoffer 1] dacht dat de overvallers daar stonden. Volgens [slachtoffer 2] zag zij toen een lange jongen die een jas droeg gelijk aan de jas die een van de overvallers aan had en zag zij verder dat deze jongen op zijn rechterpols drie dikke, opvallende zwarte haren had, zoals zij ook had gezien bij de overvaller die eenzelfde jas droeg als deze persoon. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] kan worden afgeleid dat deze persoon de veroordeelde is.
i. Aanvrager ontkent zijn betrokkenheid bij de overval.(8) De door de aanvrager afgelegde verklaring op de vraag waar hij was op de avond van de overval komt niet overeen met de verklaringen van andere daarover gehoorde personen. Zo stelt de aanvrager dat hij de desbetreffende avond bij het plein aan de Sirtakistraat en daarna bij het plein bij de supermarkt Super de Boer aan de [a-straat] is geweest.(9) Medeverdachte [medeverdachte] verklaart aanvankelijk dat hij die avond niet naar buiten is geweest.(10) Later weet hij het niet meer precies(11) en vervolgens verklaart hij dat hij er wel geweest kan zijn.(12) [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] verklaren dat zij ten tijde van de overval met de aanvrager en medeverdachte [medeverdachte] in het poolcentrum in Almere stad waren.(13) [Betrokkene 3] bevestigt dat zij daar geweest zijn die avond.(14) De aanvrager kan zich daar kennelijk niets van herinneren, nu uit de proces-verbalen van verhoor van de aanvrager niet blijkt dat hij de betreffende avond in het poolcentrum is geweest.
j. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van de videorecorder waaruit aanvrager de beveiligingsvideoband zou hebben weggenomen. De geuridentificatieproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(15)
8. Houdt het dossier naast de positieve geuridentificatieproef voldoende bewijsmateriaal in om tot een bewezenverklaring te komen? Zoals de Rechtbank heeft overwogen hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aanvrager herkend als een van de overvallers. [Slachtoffer 1] heeft op een foto zijn buik met navel herkend als gelijk aan de buik van de overvaller. Uit dit alles in combinatie met de omstandigheid dat de verklaring van aanvrager over zijn activiteiten op de avond van de overval afwijkt van wat anderen daarover hebben verklaard en hij daar kennelijk geen openheid over wil geven, zou kunnen worden afgeleid dat de Rechtbank ook zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring had kunnen komen.
Hoewel het bewijs mager is, meen ik dat onder die omstandigheden niet het ernstige vermoeden rijst dat de Rechtbank ware zij op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2).
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591.
2 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2003075155-3, 2003075155-4, 2003075155-1.
3 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2003075155-3.
4 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-26.
5 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-26.
6 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-26.
7 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 20003075155-31.
8 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-28.
9 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-28.
10 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-29.
11 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155- 38
12 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-41
13 Zie de processen-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-40 en 2003075155-42.
14 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2003075155-48
15 Zie het proces-verbaal van de geuridentificatieproef, proces-verbaalnummer 24.11.03.13.40.[...].