ECLI:NL:PHR:2012:BX4029
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn in belastinggeschil over bouwleges
Belanghebbende, een stichting, had bouwvergunningen verkregen waarvoor zij leges betaalde, maar vroeg later om teruggave van 50% van deze leges omdat de bouw niet doorging. De Gemeente weigerde restitutie op grond van de legesverordening. De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep ongegrond. Het geschil spitste zich toe op de vraag of artikel 6 EVRM Pro van toepassing is op belastinggeschillen en of overschrijding van de redelijke termijn leidt tot vergoeding van immateriële schade.
Het Hof oordeelde dat belastinggeschillen niet onder artikel 6 EVRM Pro vallen en dat geen vergoeding voor immateriële schade toekomt aan rechtspersonen in dit geval. De Hoge Raad nuanceert dit oordeel en stelt dat ook in zuivere belastingzaken de schending van de redelijke termijn kan leiden tot vergoeding van immateriële schade, gebaseerd op een algemeen rechtsbeginsel en jurisprudentie van het EHRM.
De Hoge Raad benadrukt dat ook rechtspersonen aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding. De stelplicht van de belanghebbende is beperkt tot het feit van overschrijding; specificatie van schade is niet vereist. De zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de overschrijding van de redelijke termijn en de hoogte van de vergoeding, waarbij ook de rol van de Gemeente in het procesverloop kan worden betrokken.
Verder wordt toegelicht dat de Staat der Nederlanden als partij in het geding moet worden betrokken bij verzoeken tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad formuleert algemene uitgangspunten over de redelijke termijn en de gevolgen van overschrijding, en benadrukt dat ook bij ongegrond verklaarde beroepen een vergoeding mogelijk is. De zaak draagt bij aan verduidelijking van de rechtspositie van belastingplichtigen bij termijnoverschrijding in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van immateriële schade.