ECLI:NL:PHR:2012:BX4034
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg samenwerkingsverband in terbeschikkingstellingsregeling Wet IB 2001
Belanghebbende, een belastingadviseur en partner in een adviesorganisatie, verstrekte een lening van €205.500 aan een werkmaatschappij binnen een fiscale eenheid en samenwerkingsverband van circa 250 aandeelhouders. De Inspecteur corrigeerde het inkomen op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001, omdat de lening werd aangemerkt als ter beschikking stellen van vermogen aan een samenwerkingsverband.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het Hof kwam tot een andere uitleg van het begrip samenwerkingsverband. Het Hof oordeelde dat het feitelijke samenwerkingsverband van partners, hun aanmerkelijkbelangvennootschappen, en de Holding als een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001 moet worden gezien, waardoor de lening aan de werkmaatschappij onder deze regeling valt.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte een ruime uitleg had gegeven aan het begrip samenwerkingsverband. De Hoge Raad bevestigde echter de ruime uitleg, waarbij niet vereist is dat het samenwerkingsverband een objectieve onderneming drijft. Ook is geen minimumparticipatie vereist. De regeling is bedoeld om boxarbitrage te voorkomen, en de samenwerking hoeft niet beperkt te zijn tot juridische samenwerkingsvormen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de toepassing van artikel 3.92 Wet IB 2001 op de lening binnen het samenwerkingsverband.