ECLI:NL:PHR:2012:BX7168
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt tijdsevenredige maatstaf van heffing privégebruik onroerende zaak
Belanghebbende, een ondernemer die een pand deels voor privégebruik en deels zakelijk gebruik heeft bestemd en het geheel als ondernemingsvermogen heeft geëtiketteerd, stelde dat de maatstaf van heffing voor privégebruik in het jaar van ingebruikneming tijdsevenredig berekend moest worden. Hij had het pand in augustus 2009 in gebruik genomen en berekende het privégebruik over vijf maanden van dat jaar. De Inspecteur hanteerde echter de volledige 1/10e van de kosten als maatstaf, conform artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking.
De Rechtbank 's-Gravenhage oordeelde dat de Nederlandse regeling, die aansluit bij de herzieningsperiode van tien jaar en geen tijdsevenredige berekening in het jaar van ingebruikneming toestaat, in overeenstemming is met de btw-richtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJ), waaronder het arrest Wollny. Belanghebbende stelde in cassatie dat deze regeling strijdig is met het Unierecht, onder meer vanwege het ontbreken van een tijdsevenredige afrekening en schending van het gelijkheids- en doeltreffendheidsbeginsel.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de Nederlandse regeling binnen de beoordelingsmarge van de lidstaten valt en het doel van de btw-richtlijn niet uit het oog verliest. Het verschil in behandeling tussen de privé-gebruikende ondernemer en de consument is inherent aan het systeem en niet ongerechtvaardigd. Het ontbreken van een tijdsevenredige berekening in het jaar van ingebruikneming leidt niet tot strijd met het Unierecht. Het beroep in cassatie dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse regeling voor de maatstaf van heffing van privégebruik wordt bevestigd.