ECLI:NL:PHR:2012:BX7466

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/02193
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 427b RvArt. 282a lid 2 RvArt. 282a lid 4 RvArt. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap
Verwijzingen
12 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late betaling griffierecht

In deze zaak betrof het een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het griffierecht voor het cassatieberoep werd niet tijdig betaald; de betaling vond plaats na de wettelijke termijn van vier weken. De Hoge Raad bood verzoeker de gelegenheid zich uit te laten over de te late betaling, waarop de advocaat van verzoeker verklaarde dat de nota kennelijk was zoekgeraakt en het griffierecht alsnog werd voldaan.

De Hoge Raad oordeelde dat de hardheidsclausule niet van toepassing was omdat advocaten geacht worden deskundig te zijn en op de hoogte van de termijn en de gevolgen van overschrijding. De te late betaling kon niet worden gesanctioneerd door alsnog te betalen. Verder werden geen omstandigheden aangevoerd die de overschrijding rechtvaardigden.

Daarnaast merkte de Hoge Raad op dat het cassatieberoep inhoudelijk kansloos zou zijn geweest vanwege het naturalisatiebesluit uit 1995 dat geen rechtsgevolg heeft indien valse persoonsgegevens zijn gebruikt. De rechtbank had terecht geoordeeld dat verzoeker onvoldoende identificeerbaar was. De conclusie was dat verzoeker niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn cassatieberoep.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens te late betaling van het griffierecht.

Conclusie

Zaak 12/02193
Mr. P. Vlas
Zitting, 7 september 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
1. In deze zaak, die een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) betreft, is het griffierecht niet tijdig betaald.
2. Het verzoekschrift in cassatie is op 25 april 2012 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Nu de wettelijke betalingstermijn van vier weken (art. 3 lid 4 van Pro de Wet griffierechten in burgerlijke zaken) een dag later is aangevangen,(1) verstreek deze op 23 mei 2012. Het door verzoeker tot cassatie verschuldigde griffierecht is op 4 juni 2012 door de Hoge Raad ontvangen, derhalve te laat. Het bepaalde in art. 427b Rv in verbinding met art. 282a lid 2 Rv brengt dan in beginsel mee dat verzoeker niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.
3. Art. 282a lid 4 Rv in verbinding met art. 427b Rv biedt de mogelijkheid om deze sanctiebepaling buiten toepassing te laten indien de rechter van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van een of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. Bij brief van 31 mei 2012 heeft de Hoge Raad verzoeker gelegenheid geboden zich schriftelijk uit te laten over de te late betaling van het griffierecht. Daarop heeft de advocaat van verzoeker bij brief van 14 juni 2012 verklaard dat hij het bedrag inderdaad nog niet had overgemaakt. De advocaat schrijft dat hem bij navraag is meegedeeld dat hem een nota voor het griffierecht is gestuurd en hij geeft aan dat de nota voor het griffierecht kennelijk in het ongerede is geraakt. Hij meldt dat hij het griffierecht per omgaande op 4 juni 2012 alsnog heeft voldaan. Ten slotte verzoekt de advocaat de zaak inhoudelijk in behandeling te nemen.
5. De in de brief genoemde omstandigheden nopen niet tot een geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van art. 282a lid 2 Rv op grond van de hardheidsclausule. Als uitgangspunt moet immers worden genomen dat in cassatie partijen in alle gevallen worden vertegenwoordigd door een advocaat en dat deze op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Zelfs indien de advocaat van verzoeker deze nota niet heeft ontvangen, brengt dat niet zonder meer mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.(2) Bovendien kan de overschrijding van de cassatietermijn niet worden gesauveerd door alsnog te betalen. De advocaat heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de te late betaling rechtvaardigen. Dit betekent dat de hardheidsclausule niet van toepassing is, zodat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.
6. Geheel ten overvloede merk ik op dat het cassatieberoep overigens kansloos zou zijn geweest, nu het naturalisatiebesluit dateert van 9 augustus 1995 en de rechtbank terecht in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad heeft overwogen dat een naturalisatiebesluit van vóór 1 april 2003 waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene - behoudens bijzondere omstandigheden - niet identificeert en daarom geen rechtsgevolg heeft.(3) Nu betrokkene heeft toegegeven gebruik te hebben gemaakt van foutieve persoonsgegevens, moest worden nagegaan of verzoeker voldoende identificeerbaar was voor de Nederlandse instanties. De rechtbank heeft overwogen dat dit niet het geval was. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk. Hierop zou de klacht zijn gestrand.
7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker tot cassatie in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Voor dagvaardingszaken uitgemaakt in HR 29 april 2011, LJN: BQ3006, NJ 2011/192.
2 HR 10 februari 2012, LJN: BU5603, NJ 2012/228. Zie ook HR 16 maart 2012, LJN: BU7361, NJ 2012/275.
3 Zie HR 30 juni 2006, LJN: AV0054, NJ 2007/551, m.nt. G.R.de Groot. Zie ook HR 11 november 2005, LJN: AT7542, NJ 2006/149.