ECLI:NL:PHR:2012:BX8476
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongebruikelijke terbeschikkingstelling bij verhuur aan BV met aandelen in handen van schoonmoeder
Belanghebbende en haar echtgenoot hebben een campingbedrijf en verhuren onroerende zaken aan een BV die zij hebben opgericht. In 2001 zijn de aandelen van deze BV verkocht aan de schoonmoeder van belanghebbende. De verhuur en het bestuur van de BV bleven ongewijzigd. De Belastingdienst legde navorderingsaanslagen en vergrijpboetes op wegens een ongebruikelijke terbeschikkingstelling.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelden dat de verhuur vanaf de aandelenoverdracht een ongebruikelijke terbeschikkingstelling vormt. Het Hof baseerde zich op het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2010, waarin is bepaald dat het geheel van rechtshandelingen dat met de terbeschikkingstelling verband houdt, moet worden betrokken bij de beoordeling van de gebruikelijkheid.
In cassatie betoogde belanghebbende dat alleen de terbeschikkingstellingshandeling zelf beoordeeld moest worden en dat de aandelenoverdracht geen nieuw toetsingsmoment vormde. De Advocaat-Generaal concludeert dat het Hof terecht het gehele samenstel van handelingen heeft betrokken en dat de aandelenoverdracht wel degelijk een nieuw toetsingsmoment is. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de verhuur wordt aangemerkt als een ongebruikelijke terbeschikkingstelling.