Conclusie
[de opgeëiste persoon]
eerste middelhoudt de klacht in dat de rechtbank art. 6 EVRM Pro jo art. 5, derde lid, Uitleveringswet (UW) in samenhang met het Nederlandse voorbehoud bij art. 1 Europees Pro uitleveringsverdrag (EUV) heeft geschonden door de gevraagde uitlevering van opgeëiste persoon ter tenuitvoerlegging van het Albanese vonnis toelaatbaar te verklaren hoewel dat vonnis is gewezen zonder dat de opgeëiste persoon in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren en hij daartoe ook niet in de gelegenheid zal worden gesteld.
'With regard to what was required to be clarified, from the Amsterdam Court, we inform you that') blijkt het volgende:
the defendant [de opgeëiste persoon] whom I represent as his defence counsel'.
Sejdovicv.
Italië, 1 maart 2006, appl. no. 56581/00 en
Shkallav.
Albanië, 10 augustus 2011, appl. no. 26866/05. Vervolgens stelt zij dat art. 5, derde lid, UW beoogt naleving van dit aanwezigheidsrecht als verankerd in art. 6, derde lid, sub c EVRM te garanderen, zodat de vraag of een bij verstek veroordeelde opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren dient te worden beoordeeld aan de hand van deze uit voornoemde uitspraken van het EHRM voortvloeiende maatstaven. Met haar hiervoor onder 5 weergegeven overwegingen zou de rechtbank deze maatstaven hebben miskend, waardoor de beslissing van de rechtbank aan nietigheid leidt.
(…)
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze, of indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.”
- Op 7 maart 2003 heeft de oudste broer van de opgeëiste persoon, [betrokkene 2], een bijzondere volmacht ondertekend, waarbij Ilir Nerguti als advocaat is gemachtigd om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen.
- Op 17 december 2002 heeft de opgeëiste persoon een bijzondere volmacht ondertekend, waarbij Ilir Nerguti als advocaat is gemachtigd om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen. Uit de bestreden uitspraak blijkt dat de rechtbank ervan uit gaat dat voornoemde bijzondere volmacht echter niet door de opgeëiste persoon zelf is ondertekend.
- Op 18 mei 2005 heeft de vader van de opgeëiste persoon, [betrokkene 4], een bijzondere volmacht ondertekend, waarbij Ilir Nerguti als advocaat is gemachtigd om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen.
- Op 7 mei 2003 heeft Ilir Nerguti als advocaat, ‘appointed by the defendant’s brother’ schriftelijk om uitstel van de terechtzitting gevraagd.
- Op 30 maart 2004 heeft Ilir Nerguti onder mededeling van ‘[de opgeëiste persoon] whom I represent als his defence counsel’ schriftelijk om uitstel van de terechtzitting gevraagd.
- In haar beslissing van 18 december 2003 heeft de Albanese rechtbank met betrekking tot Ilir Nerguti het volgende opgenomen: ‘his defence lawyer requested the transfer of the case’ en ‘with the special power of attorney’.
tweede middelkomt met motiveringsklachten op tegen de verwerping van het verweer dat schending van de artikelen 2 en 3 EVRM onafwendbaar is doordat over de opgeëiste persoon in Albanië bloedwraak is uitgesproken. Het middel valt uiteen in vier klachten, die achtereenvolgens zullen worden behandeld.
3.4 Voorwaardelijk verzoek om aanhouding
de mogelijkheid van inwilliging” van het uitleveringsverzoek onderzoekt, sinds 1 oktober 2010 dicteert deze bepaling van de Uitleveringswet dat de rechtbank “
de ontvankelijkheid van het Europees aanhoudingsbevel en de mogelijkheid van overlevering” onderzoekt. Een evident geval van een ‘copy/paste’-foutje dat in het wetgevingstraject over het hoofd is gezien en tot nog toe niet is gecorrigeerd. De wetsgeschiedenis biedt geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat met deze ‘aanpassing’ werkelijk een wijziging in het stelsel van de Uitleveringswet is beoogd. Het moet er dus voor worden gehouden dat de rechtbank de mogelijkheid van inwilliging van het uitleveringsverzoek heeft te onderzoeken, en dat het vierde lid van die bepaling de rechtbank de ruimte geeft om getuigen of deskundigen te horen indien zij dat voor haar onderzoek
noodzakelijkacht. Hierom heeft de verdediging op de voet van art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 Sv Pro en art. 29 Uw Pro gevraagd. Thans wordt geklaagd dat de rechtbank bij de afwijzing van dit verzoek geen toepassing heeft gegeven aan de juiste maatstaf, en de afwijzing bovendien onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
noodzakelijkis om getuigen te horen. Voorts houdt de uitspraak in dat “
het evenmin noodzakelijk (is) om getuigen te horen over wat zich feitelijk heeft voorgedaan voorafgaand aan die vlucht”. In zoverre faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag; de rechtbank heeft wel degelijk het noodzaakcriterium toegepast.
voldoet de Nederlandse uitleveringsprocedure, dankzij het mogelijk beroep op de kortgedingrechter, weliswaar aan de eisen van art. 13 EVRM Pro (…)”. [12] Bij dit oordeel sluit ik mij aan.
De Souza Ribeirov.
Frankrijk, app.no. 22689/07, maar vervolgens worden geen nieuwe argumenten aangedragen – anders dan die in rechtspraak en literatuur reeds zijn besproken – op basis waarvan de Nederlandse uitleveringsprocedure (met inbegrip van de civiele spoedprocedure) niet meer zou voldoen aan de eisen van art. 13 EVRM Pro. Derhalve faalt het middel ook in zoverre.