Conclusie
4.Het eerste en het tweede middel
eerste middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van voorbedachte raad ter zake het onder 1 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen heeft omkleed, met name nu er meerdere en objectief vaststaande contra-indicaties tegen het aannemen van voorbedachte raad voorlagen, waarop het Hof niet heeft gerespondeerd. Het
tweede middelklaagt dat het Hof bij de vaststelling dat de poging tot levensberoving niet het gevolg zou zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging maar dat de verdachte ‘planmatig’ zou hebben gehandeld, enkel ingaat op het aspect dat een verminderde toerekeningsvatbaarheid de aanwezigheid van voorbedachte raad niet uitsluit. Het Hof heeft hierbij ten onrechte geen enkele beschouwing gewijd aan twee contra-indicaties waarop een beroep is gedaan, te weten de vlaag van woede en het feit dat de jerrycan benzine reeds geruime tijd in de kamer aanwezig was. Daarmee heeft het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging ontoereikend weerlegd, aldus de stellers van het tweede middel. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
(Bewijs)Overwegingen
(Het hof begrijpt verdachte)belde mij op. Hij zei: "Je moet even komen, want je moet iets tekenen." Ik zei toen: "Ja, moet dat nou dan per se?". Hij zei: "Ja, ja dat moet per se". Ik ben daarnaar toe gegaan. Ik kwam binnen en zei: "Nou waar is het?". Hij zei: "Ja, euh, kom maar het ligt op kantoor". Ik zei: "Haal het maar hier naar de gang toe". Hij zei: "Nee, je moet mee naar kantoor". Nou, toen liep ik mee naar het kantoor en toen zei hij van: "Wil je dat even...dit moet je tekenen". Toen las ik het, maar kon er eigenlijk niet goed uit opmaken wat het betekende en zo, dus ik zei: "Nou ik wil het even op mijn gemak bekijken voor ik iets teken." Hij zei: "Nee, en je tekent nou". Ik zei: "Ik teken niet" en "Dan ga ik". Toen hield hij mij tegen en zei: "Ik niks dan jij ook niks". Toen had hij een kan benzine en die stak hij aan. Van te voren deed hij nog de deur op slot. Ik zei: "Hé, doe de deur eens open". Hij zei: "Nee, eerst tekenen". Toen heb ik gezegd: "Nou, dan ga ik bellen". Toen had ik de telefoon maar hij pakte die telefoon en die gooide hij naar buiten over het balkon heen. Nou toen pakte hij de benzine en stak hij het aan.
Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet, zoals hierboven ook is weergegeven, komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het hierboven aangeduide strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.”
eerste middelklagen dat het Hof ten onrechte geen enkele beschouwing heeft gewijd aan de zich in deze zaak voordoende en gemotiveerd bepleite contra-indicaties die meer dan waarschijnlijk maakten dat er voor de verdachte juist onvoldoende tijd is geweest om zich te beraden. Daarbij wijzen de stellers van de middelen op een zestal ‘contra-indicaties’, te weten 1. De omstandigheid dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen; 2. De omstandigheid dat de jerrycan met benzine al enkele weken in de kamer stond waar het bewezenverklaarde feit plaatsvond; 3. De omstandigheid dat de verdachte direct na de brand gezegd heeft dat hij zijn vrouw niet dood wilde hebben; 4. De omstandigheid dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat er geen sprake was van ‘zelfmoordplannen’; 5. De omstandigheid dat uit een in de auto aangetroffen machtigingsbrief blijkt dat de verdachte (toekomst)plannen had om zijn woning te verkopen tezamen met de omstandigheid dat op de middag waarop het bewezenverklaarde plaatsvond een afspraak bij de makelaar gepland stond en 6. De omstandigheid dat de in de kluis aangetroffen brief geen afscheidsbrief van de verdachte betrof en de omstandigheid dat de verdachte de gewoonte had om allerlei concepten te bewaren / verbeteren, zoals door de getuige Dorrestijn ter terechtzitting van het Hof is verklaard.
tweede middelklaagt tevens dat het Hof bij de vaststelling dat de poging tot levensberoving niet het gevolg zou zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging maar dat de verdachte ‘planmatig’ zou hebben gehandeld, ten onrechte geen enkele beschouwing heeft gewijd aan de contra-indicatie, te weten de vlaag van woede, welke contra-indicatie het meer dan waarschijnlijk maakt dat er voor de verdachte onvoldoende tijd is geweest om zich te beraden op de hem verweten handeling(en).