Conclusie
[verdachte]
eerste middelbevat de klacht dat het hof het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.
ofde verdediging al of niet heeft ingestemd met het afzien van hernieuwde oproeping nog kort het volgende. Het hof heeft die instemming m.i. kunnen afleiden uit de opmerking van de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2011 dat “de zaak wat mij betreft wel [kan] worden afgewikkeld”. Daardoor heeft het hof m.i. ook op juiste wijze toepassing gegeven aan de maatstaf van artikel 288, derde lid Sv
tweede middelklaagt (blijkens de toelichting daarop) over de bewijsconstructie van de feiten 5 tot en met 15. Daaruit zou niet kunnen volgen dat de verdachte heeft gereden in de gehuurde Audi A3 met kenteken [AA-00-BB], laat staan dat hij betrokken is geweest bij het plegen van de strafbare feiten op de adressen alwaar de Audi in de buurt is geweest.
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 1]:
1.Te onderzoeken materiaal
6.Interpretatie en conclusie
7.DNA-databank
als relaas van verbalisanten:
De verklaring van de verdachte,afgelegd ter terechtzitting van het hof van 18 november 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van de verdachte:
als
als verklaring van [betrokkene 5]:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 19]:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 3]:
als relaas van verbalisant:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 9]:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van[betrokkene 22]
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 6]:
als verklaring van [betrokkene 23]:
- als relaas van verbalisant:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 25]:
als relaas van verbalisant:
1.Te onderzoeken materiaal
6.DNA-databank
als relaas van verbalisant:
als verklaring van Fransen:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 13]:
als verklaring van [betrokkene 13]:
als relaas van verbalisant:
1.Te onderzoeken materiaal
5.Resultaten, interpretatie en conclusie
6.DNA-databank
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 11]:
als verklaring van [betrokkene 12]:
als relaas van verbalisant:
LJNBV9181, in welke zaak de verdachte blijkens camerabeelden op de dag van de inbraken voor de deur van de bedrijfsruimte had gestaan, hetgeen volgens de Hoge Raad niet de bewezenverklaring kon dragen dat het de verdachte was geweest die de toegangsdeur had geforceerd en goederen had weggenomen.
LJNBR1121, waarbij negen dagen na een poging tot diefstal in een oliebollenkraam gestolen T-shirts van die kraam in de auto van de verdachte werden aangetroffen, hetgeen volgens de Hoge Raad onvoldoende bewijs voor diefstal opleverde, wordt voorts gesteld dat uit het aantreffen van de gestolen goederen in de sloot op 2 maart 2010 (vier dagen na de inbraak op 26 februari 2010) in de nabijheid van de verblijfplaats van de verdachte, niet kan worden afgeleid dat de verdachte de inbraken heeft gepleegd. Voorts leidt het zijn van bestendig gebruiker van de Audi tezamen met het aantreffen van DNA-materiaal van vermoedelijk de verdachte op een bril (feit 11) en een joggingbroek (feit 15) ter plaatse van de delicten, er niet zonder meer toe dat de verdachte de feiten 5 tot en met 15 heeft gepleegd, aldus de steller van het middel. Immers brengt het aantreffen van DNA-materiaal niet automatisch mee dat degene van wie dat DNA afkomstig is ook op die plaats delict is geweest en betrokken is geweest bij het plegen van dat feit. Uit de bemonstering van de joggingbroek is immers een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen verkregen; aldus is anders dan het hof heeft geoordeeld de verklaring van de verdachte dat een ander dan de verdachte de joggingbroek op de plaats delict heeft achtergelaten niet onaannemelijk. Ten slotte wordt gesteld dat het hof weliswaar heeft vastgesteld dat de verdachte de ‘bestendig gebruiker’ van de Audi is, hetgeen het hof voornamelijk heeft gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 2] en de verklaring van [betrokkene 17], maar dat daaruit niet kan blijken dat de verdachte ook de enige gebruiker van die Audi is geweest en daadwerkelijk op de pleegdata de gebruiker van de Audi is geweest. Gewezen wordt op de verklaring van de verdachte dat ook anderen van de Audi gebruik maakten. Ook zou uit de bewijsmiddelen niet blijken in welke periode de verdachte op het [m-straat] verbleef, de locatie waarvandaan de Audi blijkens de track en trace gegevens telkens vertrok en naartoe terugkeerde. De klachten zullen achtereenvolgens worden besproken.
LJNBV9181, zijn de bewezenverklaringen van de feiten 5 tot en met 15 niet ontoereikend gemotiveerd. De uitvoerige bewijsconstructie en aanvullende bewijsmiddelen leveren het volgende op. De delicten zijn gepleegd op de volgende data (in chronologische volgorde): 19 februari 2010 (de feiten 12 t/m 15), 21 februari 2010 (feit 11), 26/27 februari 2010 (de feiten 8, 9, 10), 26 maart 2010 (de feiten 5, 6 en 7), 4/5 mei 2010 (de feiten 2, 3 en 4), 19 mei 2010 (feit 1). De steller van het middel betwist niet de inbraken gepleegd in de nacht nadat de verdachte was aangehouden ter verkeerscontrole (de feiten 2, 3 en 4) alsmede de inbraak in de sauna, nadat de auto tegen een boom tot stilstand was gekomen (feit 1). Ten aanzien van álle feiten heeft het hof de zeer nauwkeurige track en trace gegevens van de Audi A3 met kenteken [AA-00-BB] tot het bewijs gebezigd, waaruit blijkt dat die auto telkens aanwezig was op de plaatsen alwaar en de dagen en tijdstippen waarop de inbraken zijn gepleegd. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte vanaf 15 februari 2010 de huurprijs van de Audi heeft betaald en de huurperiode steeds heeft verlengd, en dus in de bewezenverklaarde periode de beschikking had over de auto, hetgeen door de verdachte ook niet is ontkend. ’s Hofs afwijzing van het verweer dat ene “Mo” de Audi huurde en de verdachte slechts soms de auto mocht gebruiken, is niet onbegrijpelijk nu van deze persoon niets blijkt uit het dossier en de verdachte evenmin identificerende gegevens van deze “Mo” heeft verschaft. Dat de verdachte de Audi huurde heeft het hof voorts kunnen afleiden uit de verklaring van [betrokkene 17], inhoudende dat de verdachte in ieder geval op 15 februari 2010 en 15 april 2010 de huur van de auto betaalde, aldus in de bewezenverklaarde periode. Uit het vorenstaande heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte ten tijde van de feiten 5 tot en met 15 (19 februari tot en met 19 mei 2010) de beschikking had over de Audi. Bovendien heeft het hof telkens vastgesteld dat de plaatsen alwaar de inbraken zijn gepleegd volgens de informatie van Google maps en de ANWB-routeplanner binnen een tijdsbestek kunnen worden gereden, overeenkomstig de gereden routes zoals afgeleid uit de track en trace gegevens. Maar anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, vormen de track en trace gegevens zeker niet het enige bewijs voor de feiten 5 tot en met 15. Zo heeft het hof ten aanzien van de feiten 5, 6 en 7 blijkens de bewijsoverweging eveneens tot het bewijs gebezigd de op 27 maart 2010 (een dag na de onder 5, 6 en 7 bewezenverklaarde inbraken) in een sloot aangetroffen goederen afkomstig van die inbraken. Het hof heeft vastgesteld dat die sloot is gelegen in de directe omgeving van [m-straat] en [n-straat], de verblijfplaatsen van de verdachte. Ten aanzien van de feiten 8, 9 en 10 heeft het hof eveneens tot het bewijs gebezigd de op 2 maart 2010 in dezelfde sloot aangetroffen goederen afkomstig van de onder 8, 9 en 10 bewezenverklaarde inbraken vier dagen eerder. Het bewijs van feit 11 wordt ondersteund door het op de plaats delict aangetroffen DNA-houdend celmateriaal afkomstig van vermoedelijk de verdachte. Voor de feiten 12 tot en met 15 heeft het hof eveneens het op de plaats delict aangetroffen celmateriaal vermoedelijk afkomstig van de verdachte tot het bewijs gebezigd. Aldus zijn de bewezenverklaringen van de feiten 5 tot en met 15 niet ontoereikend gemotiveerd en faalt het middel in zoverre.
was(bewijsmiddel 8) niet onbegrijpelijk; uit het antwoord maak ik op dat de vraag gesteld was in de verleden tijd, en dus onder meer doelde op de tenlastegelegde periode.
derde middelklaagt over de motivering van de feiten 2 tot en met 11, nu het hof niet nader heeft gemotiveerd in welke zin de verdachte ‘betrokken is geweest’ bij het plegen van genoemde feiten, terwijl uit de bewezenverklaringen blijkt dat de verdachte als pleger van die feiten kan worden aangemerkt.
LJNBR0450, waarin AG Vegter concludeerde tot vernietiging vanwege onvoldoende motivering van de uitvoeringshandelingen van de verdachte. Dit terwijl het hof de verdachte als pleger heeft veroordeeld en de bewijsoverweging slechts inhoudt dat de verdachte ‘betrokken is geweest’ bij de bewezenverklaarde feiten. Nu niet blijkt van enige uitvoeringshandeling of nauwe en bewuste samenwerking, valt niet in te zien waarom geen sprake is van medeplichtigheid, aldus de steller van het middel.
LJNBR0450 en HR 12 juni 2012,
LJNBW7945, is het oordeel van het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, ik citeer uit ’s hofs strafmotivering, “een brutale strooptocht van diefstallen (of pogingen daartoe) met braak /verbreking in woningen en kantoorpanden”, en wel zodanig dat de verdachte in zijn rol als “bestendig gebruiker” van de Audi waarmee die “strooptocht” plaatsvond daarbij betrokken is geweest in de zin van ‘pleger’ en niet ‘medeplichtige’ dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De Audi, waarvan het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de ‘bestendig gebruiker’ was, is immers vrijwel onmisbaar als men in één avond vlak achter elkaar op verschillende locaties inbreken wil plegen. Het hof heeft bovendien vastgesteld dat de verdachte vlak voor het plaatsvinden van de feiten 2, 3 en 4, de bestuurder van de Audi was; daarin zie ik niet een “minimale faciliterende rol” die “hooguit als medeplichtigheid” kan worden aangemerkt. Voorts blijkt tenminste uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de minderjarige dochter van de aangever van feit 15, inhoudende dat zij twee mannen buiten in de tuin zag staan en dat zij daarna wegrenden, dat de verdachte medepleger was van die inbraak. Het hof heeft derhalve de voor het bewijs van medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden.
vierde middelklaagt over de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen in de bijlage II onder 4 t/m 7, 10, 37 en 46 genoemde goederen.
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de in de aan het arrest gehechte bijlage II onder 8, 9, 11, 14, 45, 35, 36, 38 en 48 opgesomde voorwerpen heeft onttrokken aan het verkeer, nu het hof niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven op grond waarvan het hof heeft aangenomen dat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
casuheeft het hof de maatregel gegrond op artikel 36c, aanhef en onder sub 3, Sr. Blijkens het in bijlage II opgenomen proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming zijn de tas (bijlage II onder 8) en het gereedschap (bijlage II onder 9) inbeslaggenomen naar aanleiding van het politie onderzoek naar een inbraak in Deurningen (feit 1), terzake waarvan de verdachte is veroordeeld. Uit bewijsmiddel 1 kan voorts worden afgeleid dat bij zijn aanhouding in de auto van de verdachte een breekijzer (bijlage II onder 11) is aangetroffen. Blijkens het in bijlage II opgenomen proces-verbaal van inbeslagneming naar aanleiding van een woninginbraak in Woerden zijn de knijptang (bijlage II onder 14) evenals de witte stickers (bijlage II onder 15) eveneens in de auto van de verdachte aangetroffen. Van de in de bijlagen II onder 35 en 36 (twee bahco’s) en 38 (jammer) opgesomde voorwerpen heb ik niet kunnen achterhalen in welk kader deze in beslag zijn genomen. Kennelijk heeft het hof – zoals de steller van het middel ten aanzien van de jammer ook al aangeeft – gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten (meerdere (pogingen tot) inbraak) deze goederen eveneens aangemerkt als inbrekersgereedschap met behulp waarvan de feiten zijn begaan. Dit onwettige gebruik van het inbrekersgereedschap brengt mee dat het ongecontroleerd bezit ervan, in ieder geval ten aanzien van de verdachte, in strijd is met de wet. Het oordeel van het hof geeft aldus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. [7] Ten overvloede zij nog vermeld dat door of namens de verdachte ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen ter terechtzitting in hoger beroep geen verweer is gevoerd, hoewel de rechtbank ten aanzien van deze voorwerpen dezelfde beslissing heeft genomen als het hof.
zesde middelklaagt over de motivering van de beslissing van het hof de bewaring te gelasten van een laptop (bijlage II onder 13) en een Tomtom navigatiesysteem (bijlage II onder 51) ten behoeve van de rechthebbende. Blijkens de inhoud van bijlage II is de verdachte eigenaar van het navigatiesysteem, terwijl van de laptop geen eigenaar bekend is, terwijl voorts niet blijkt dat deze laptop is weggenomen bij één van de bewezenverklaarde diefstallen.
zevende middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.