Conclusie
1.Feiten
Inbreuk”) [2] of ingeval van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door Slotereind van enige andere verplichting uit hoofde van deze overeenkomst, zal Slotereind Koper schadeloos stellen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel 5, (onverlet de overigens aan Koper toekomende wettelijke rechten), met inachtneming van het met de desbetreffende Inbreuk respectievelijk toerekenbare tekortkoming samenhangende effect voor de ten laste van Beheer en/of de Dochtermaatschappijen en/of Metro komende vennootschapsbelasting.
2.Procesverloop
Grief 1van Slotereind in zoverre slaagt dat zij zich er terecht op heeft beroepen dat voor een groot aantal door Afvalzorg gestelde inbreuken op de garanties Slotereind te laat daarvan in kennis is gesteld hetgeen leidt tot verval van aanspraken onder de garanties.
Grief 5slaagt in zoverre dat de rechtbank ten onrechte het beroep op de ontijdige melding van de inbreuk op de garantie heeft verworpen. Ten overvloede slaagt ook grief 4 waar die betrekking heeft op het staken van de slibcomposteringsactiviteiten.
Grief 6,
grief 7,
grief 8,
grief 10,
grief 11en
grief 12slagen eveneens. Bij behandeling van
grief 15heeft Slotereind, gelet op het bovenstaande, geen belang.
Grief 9van Slotereind faalt, de bestreden kosten van juridisch advies met betrekking tot de overname dient zijzelf te dragen.
Grief 16slaagt eveneens in zoverre dat op grond van hetgeen het hof oordeelt geen aanleiding bestaat Slotereind te veroordelen tot betaling van een voorschot op de gevorderde schadevergoeding.
grief 1, die betrekking heeft op de afvoerkosten van het slibhout, faalt. Ook
grief 2, met betrekking tot de dwangsommen, faalt. Dat lot treft ook
grief 3over de dakgoten en
grief 4met betrekking tot de ventilatiekoker in hal 4.
De grieven 5, 6 en 7die de problematiek rond de RCR installatie behandelen zijn ongegrond.
Grief 8over de waardering van de activa van [A] BV is vergeefs voorgesteld.”
grief 10, grief 11 en grief 12dient te worden gelezen
grief 10 en grief 11;
3.Behandeling van de klachten in het principale beroep
eerste onderdeelvan het principale middel richt zich tegen ’s Hofs oordeel (in rov. 3.3) dat N.V. Afvalzorg Holding “(formeel)” appellante is in het incidenteel appel. Het Hof heeft volgens het onderdeel daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Aanvaarding van het beroep van Slotereind op herstel van een kenbare vergissing bij het instellen van het appel (in de zin dat bij vergissing Holding in plaats van Afvalzorg in het appel is betrokken), brengt in het onderhavige geval mee dat Afvalzorg niet alleen principaal geïntimeerde is, maar ook incidenteel appellante en dat Holding geen partij is in de procedure, ook niet formeel. Het Hof zou hebben miskend dat een partij die in eerste aanleg geen procespartij was en die ook niet de rechtsopvolger is van één der partijen in eerste aanleg, in appel geen procespartij kan worden, ook niet wanneer zij bij vergissing in appel is gedagvaard en zij (louter) om die reden in appel heeft geprocedeerd en incidenteel appel heeft ingesteld. De overweging dat Holding (formeel) incidenteel appellante is, is innerlijk tegenstrijdig met de overweging dat Afvalzorg principaal geïntimeerde is. In ieder geval valt zonder nadere toelichting niet te begrijpen dat het Hof enerzijds oordeelt dat Afvalzorg principaal geïntimeerde is, omdat het feit dat Slotereind Holding in appel heeft betrokken op een kenbare vergissing berust die zich voor herstel leent, terwijl het Hof anderzijds oordeelt dat Holding (formeel) incidenteel appellant is.
namensAfvalzorg Bewerking en Hergebruik B.V.” (cursivering toegevoegd).
inhoudelijkemerites van de zaak; daarop wijst ook de pleitnota in appel van 196 pagina’s van Holding. Het moge zijn dat hetgeen in het citaat weergegeven onder 3.6.1 sub 2.6 is te lezen dat terstond daarop volgt het Hof wellicht op andere gedachten had kunnen brengen, maar nu het onderdeel daar geen punt van maakt, kan ik dat laten rusten.
volledigheeft beslist op basis van een letterlijke lezing van de eerste volzin van art. 5 lid 5 en Pro met name van het daarin voorkomende woordje “zal” en de dwingend voorgeschreven zo spoedig mogelijke in kennisstelling. Hetgeen het Hof vervolgens de revue laat passeren, zijn argumenten die aan de letterlijke uitleg van de eerste volzin
nietafdoen of die betrekking heeft op de uitleg van een passage die in casu
geenbetekenis heeft. Ze zijn dus niet mede-redengevend voor de door het Hof gegeven uitleg.
onderdeel 2a. [29] Deze opvatting is onjuist. [30] Bovendien is hetgeen in het citaat staat na “omdat” niet redengevend. Nu deze opvatting klaarblijkelijk, maar ten onrechte, de rode draad is die door het onderdeel is geweven, is het tot mislukken gedoemd;
subonderdeel 2amiskent het Hof dat onder omstandigheden aan de bewoordingen van een overeenkomst beslissende betekenis kan toekomen en dat in dit geval inderdaad beslissende betekenis toekomt aan de bewoordingen van de overeenkomst, omdat het gaat om de vraag of de rechten van Afvalzorg vervallen in geval van schending van de verplichting van art. 5 lid Pro 5, eerste volzin. Het Hof heeft miskend dat er rechtens alleen dan ruimte is om in het kader van uitleg van de overeenkomst aan schending van de verplichting van art. 5 lid Pro 5, eerste volzin, de verstrekkende sanctie van verval van rechten te verbinden, indien die sanctie expliciet in de overeenkomst is vermeld. Dit een en ander geldt eens te meer nu het gaat om een overeenkomst strekkende tot bedrijfsovername tussen twee professionele partijen die zich hebben laten bijstaan door externe, ter zake kundige juridische adviseurs. [34] Door deze rechtsregels te miskennen heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover 's Hofs oordeel aldus moet worden begrepen dat het Hof, niettegenstaande zijn overwegingen in rov. 3.5, bij zijn oordeel in rov. 3.6 dat art. 5 lid 5 zo Pro moet worden uitgelegd dat de rechten van Afvalzorg bij niet spoedige in kennisstelling komen te vervallen, doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de bewoordingen van de overeenkomst, is 's Hofs oordeel onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. Noch in art. 5 lid Pro 5, noch elders in de overeenkomst staat dat aan schending van de verplichting van Afvalzorg een inbreuk op een garantie zo spoedig mogelijk te melden, de sanctie van verval van rechten is verbonden. In het licht van de letterlijke bewoordingen van de overeenkomst is ’s Hofs oordeel dat aan schending van die verplichting de sanctie van verval van rechten is verbonden, dus onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel verwijst naar de motiveringsklachten van de subonderdelen 2b, 2c, 2d en 2e.
zonder meerjuist zou zijn dat op zich, of onder de door het onderdeel geschilderde omstandigheden, alleen dan van een vervalbeding sprake zou kunnen zijn wanneer dat met zoveel woorden is vermeld; zie ook hiervoor onder 3.10.1 sub c. Bovendien laboreert de klacht aan te grote vaagheid. Niet goed duidelijk is immers wanneer, in de visie van de steller, de sanctie expliciet is vermeld. Is – in zijn visie – nodig dat het woord verval wordt gebezigd en zo neen, wat is in zijn visie dan wel voldoende?
subonderdeel 2dontoereikend gemotiveerd:
onderdeel 2bberust op een wel erg creatieve lezing van het betoog van Afvalzorg c.s. In de daar in noot 1 genoemde mva onder 4.10 en 4.25 kan m.i. niet worden gelezen dat partijen hebben
willenuitsluiten dat – kort gezegd – een vervaltermijn zou zijn verbonden aan verzaking van de klachtplicht. De weinig heldere exegese onder 4.10 [37] lijkt veeleer op het tegendeel te wijzen; bovendien is daar met geen mogelijkheid te lezen dat het hier gaat om iets wat
partijenhebben
gewild(in stede van een uitleg door de concipiënt van het betrokken processtuk). Ook hetgeen staat onder 4.25 berust klaarblijkelijk op een eigen conclusie van de concipiënt en niet, laat staan kenbaar, op iets wat
partijenzouden hebben gewild. Zeker in een processtuk van 78 pagina’s regelafstand 1 met een kleine lettergrootte zullen relevante stellingen voldoende duidelijk moeten worden geëtaleerd vooraleer van de rechter kan worden gevergd dat hij erop ingaat.
hijuitlegt waarom
partijeniets
nietovereen hadden moeten komen. Dat ligt evenwel op hun weg. Voor zover het onderdeel bedoelt aan te voeren dat de uitleg die het Hof heeft gekozen tot een heel onaannemelijk rechtsgevolg zou leiden (een wel heel erg welwillende lezing) [40] , wordt over het hoofd gezien:
samenstelvan afspraken. Bij een lage prijs horen, als sprake is van een evenwicht tussen de onderhandelingskracht van partijen waaromtrent het Hof niets heeft vastgesteld, terwijl het middel geen beroep doet op nuttige stellingen in dit verband, weinig garanties. Bij een lage prijs en/of een overmaat aan garanties kan een korte (verval)termijn begrijpelijk of zelfs fair zijn. Het Hof heeft over dit alles niets vastgesteld. Het is niet gespeend van risico voor een rechter en al helemaal voor de cassatierechter om in abstracto oordelen te vellen over wat dan al dan niet aannemelijk is. [41]
baseertop de omstandigheid dat slechts één uitleg mogelijk was. Zijn uitleg wortelt, als gezegd, integendeel in de
bewoordingenvan genoemd artikellid al had het Hof dat wellicht nog iets duidelijker kunnen opschrijven (bijvoorbeeld door weglating van de gewraakte passage). Daarop stuit onderdeel 2c af.
onderdeel 2dgeldt het voorafgaande gelijkelijk. Ik geef toe dat ’s Hofs uitleg niet dwingend is. Maar daarmee is hij nog niet onjuist of onbegrijpelijk, al was het maar omdat de door Afvalzorg c.s. voorgestane interpretatie evenmin dwingend is.
onderdeel 2d sub (ii)veronderstelt, is ’s Hofs oordeel dat de tweede volzin van art. 5 lid 5 zinledig Pro is niet (mede) redengevend voor zijn oordeel; zie hiervoor onder 3.9.1. Daarmee is ook hetgeen onder (iii) staat besproken.
onderdeel 2ete berde brengt, kan m.i. blijven rusten. Immers is ’s Hofs oordeel niet gebaseerd op het rechtsgevolg dat is verbonden aan art. 5 lid Pro 4.
onderdelen 3a, 3ben
3d. Naar de kern genomen strekt het ten betoge dat bij beantwoording van de vraag of Afvalzorg “zo spoedig mogelijk” melding heeft gemaakt van de inbreuken op de garanties niet buiten beschouwing mocht blijven of Slotereind door de late melding concreet nadeel heeft ondervonden. In voetnoot 7 wordt aangegeven waar deze stelling zou zijn geëtaleerd in feitelijke aanleg. Het onderdeel zoekt voor de bepleite benadering steun bij art. 248 lid 1 juncto Pro art. 7:23 lid 1 BW Pro.
rechtstreekssteun kan worden gevonden bij art. 7:23 lid 1 BW Pro omdat partijen van deze bepaling zijn afgeweken; daar zijn ze het, geloof ik, over eens. Uit deze bepaling en de jurisprudentie daarover (en over art. 6:89 BW Pro) kan uiteraard wél inspiratie worden geput. Ik werk dat hierna verder uit.
beslissendis of de verkoper nadeel heeft geleden; dat blijkt héél duidelijk uit rov. 5.4 van het onder 3.40 besproken arrest. Daarin ligt, als ik het goed zie, voor de onderhavige zaak ook de relevantie van de vraag of sprake is van een vervaltermijn.
lengte van die termijnin een concreet geval rekening worden met het nadeel van de verkoper door de te late melding. Het gewicht van die factor kan moeilijk in algemene zin worden bepaald, afhankelijk als het is van een afweging van alle relevante omstandigheden. [52]
geensprake zijn van een vervalbeding dan zou in de meest waarschijnlijke lezing het nadeel van de verkoper wél beslissend zijn, des dat de koper de schade van de verkoper als gevolg van de te late melding moet vergoeden.
heel indringend(..) te onderzoeken of
uitvoeriger(..) te motiveren” (s.t. onder 4.5; cursiveringen toegevoegd). Dit betoog mislukt om een veelheid van redenen. Ik noem slechts dat het geen beroep doet op daarmee corresponderende stellingen in feitelijke aanleg, terwijl het Hof niet kenbaar
enige aandachtaan deze kwestie heeft besteed.
onderdeel 3bstip ik nog aan dat rov. 3.22 wél een aanzet geeft tot een discussie over het nadeel van Slotereind, maar hetgeen daar staat is onvoldoende specifiek om ’s Hofs oordeel te kunnen dragen. Bovendien gaat het in rov. 3.22 slechts om één van de vele geschilpunten tussen partijen.
onderdeel 3conbesproken blijven. Gelet op hetgeen hiervoor werd opgemerkt, lijkt de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, waarop rov. 3.9 en het onderdeel betrekking hebben, in dit verband geen zelfstandige betekenis meer te hebben.
onderdelen 3a – 3dvoor het overige geen behandeling.
onderdeel 7keren Afvalzorg c.s. zich tegen rov. 3.61. Tussen partijen is in confesso dat op Slotereind in verband met een bewerkstelligde schikking in beginsel [61] een betalingsverplichting rust met betrekking tot een claim van het Hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen voor (netto) fl. 462.468. [62] In de bestreden rechtsoverweging heeft het Hof geoordeeld dat Afvalzorg ter zake van deze claim is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit art. 5.6 van de overeenkomst voortvloeiende verplichting Slotereind in de gelegenheid te stellen verweer te voeren. Afvalzorg c.s. voeren thans aan dat Slotereind zich ter zake van deze vordering slechts op een opschortingsrecht heeft beroepen. Door Slotereind is bij memorie van grieven geen beroep op art. 5.6 van de overeenkomst gedaan. Het Hof zou dan ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden, de feitelijke grondslag van het verweer in strijd met art. 24 Rv Pro. hebben aangevuld, dan wel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing hebben gegeven. Voor zover Slotereind haar verweer na memorie van grieven met een dergelijk beroep zou hebben aangevuld en het Hof zulks heeft gehonoreerd, heeft het Hof miskend dat een dergelijke ontijdige wijziging van de grondslag van het verweer niet is toegestaan.
in algemene zineen beroep op dit artikel gedaan, met daarbij de mededeling dat per gestelde inbreuk zal worden aangegeven in hoeverre Afvalzorg haar verplichting uit hoofde van dit artikel heeft geschonden. [64] Zij heeft in hoger beroep, en daarom m.i. tardief, bij gelegenheid van het schriftelijk pleidooi een soortgelijk
algemeenberoep op art. 5.6 van de overeenkomst gedaan. [65] Dit beroep is ten aanzien van de claim van het Hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep uitgewerkt. Een dergelijke uitwerking is in eerste aanleg wel gegeven ten aanzien van een claim van het Hoogheemraadschap Rijnland. [66] Het oordeel van het Hof is mogelijk ingegeven door de discussie die partijen met betrekking tot deze claim hebben gevoerd. Deze claim was in hoger beroep evenwel niet langer onderdeel van het geschil.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
abusievelijkmelding wordt gemaakt van fl. 5.500.000. Dit blijkt uit hetgeen Afvalzorg c.s. hebben aangevoerd in hun schriftelijk pleidooi d.d. 23 maart 2010 onder 36.2 - 36.4 (p. 179-181, sic). In cassatie hebben Afvalzorg c.s. nogmaals erkend dat de brief van 7 augustus 2002 op dit punt op een vergissing berust en dat de desbetreffende passage met het bedrag van fl. 5.500.000 aan een eerder concept is ontleend. [73]
expliciethet standpunt heeft ingenomen dat de “escrow” inmiddels fl. 5.500.000 bedroeg. [75] Maar het Hof kan m.i. niet werkelijk euvel worden geduid dat het het niet gemakkelijk te doorgronden betoog in de mvg onder 3.74 en 3.75 kennelijk zo heeft opgevat dat Sloterdijk bedoelde te zeggen dat de “escrow” daadwerkelijk – te weten volgens de in haar visie gemaakte afapraak – fl. 5.500.000 beliep. Zelf zou ik het betoog niet zo hebben gelezen, maar daarop komt het niet aan.