Conclusie
1.[eiser 1],
[eiseres 2],
[= de 1e tranche](...) worden geleverd tegen een koopsom van € 24.500.000,00 kosten koper (...), in beginsel op 15 februari 2006 doch uiterlijk op 1 maart 2006 en registergoederen a en c
[= de 2e tranche]tegen een koopsom van in totaal € 33.317.345,00 kosten koper (...), in beginsel op 15 maart 2006 doch uiterlijk 1 april 2006 of zoveel eerder als partijen nader overeenkomen.
overeenkomst.
onverhoedse ommekeervan [verweerster] jegens [eiseres 2] na 11 april 2006. Zoals gezegd, staat vast dat er geen sprake was van een samenwerkingsovereenkomst tussen [eiseres 2] en [verweerster] met betrekking tot de afname van de 2e tranche. (…) uit de stukken blijkt dat [verweerster] zich kennelijk niet wilde binden. Het hof overweegt dat (…) in de brief van mr den Besten van 14 april 2006 onvoldoende steun valt te vinden voor de tweede zelfstandige onrechtmatige daad van [verweerster] jegens [eisers 1] In die brief schrijft mr. Den Besten dat tussen partijen is afgesproken dat er een vorm van samenwerking zou ontstaan om het project succesvol af te ronden, maar dat [verweerster] steeds weigert en afhaakt. Verder wordt namens [eiseres 2] aan [verweerster] verzocht haar een formeel voorstel te doen toekomen. Volgens deze brief is het thans zaak om keuzes te maken. "
Het is van twee smaken één": ofwel [verweerster] koopt rechtstreeks van verkoper de registergoederen in de 2e tranche voor € 35.195.525,- of [verweerster] komt tot een samenwerking met [eiseres 2] waartegenover [eiseres 2] een deel van de koopsom meebetaalt of meefinanciert. Meer varianten bestaan er volgens de brief in casu niet. (…) Dat [verweerster] er in de gegeven omstandigheden voor heeft gekozen niet (verder) in te gaan op de voorstellen van [eiseres 2] en ((mede) in verband met risico van verlies van de waarborgsom aan verkopers heeft bevestigd dat zij gebruik wenste te maken van het haar toekomende recht op levering van de 2e tranche op 18 april 2006 (voor de koopsom van € 33.317.345,-) is naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig jegens [eisers 1]”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
TENEINDE:
onderdeel 2.a). Daaraan verbindt
onderdeel 2.bde klacht dat in het principaal appel in conventie ten onrechte ook [eiser 1] (gezamenlijk met [eiseres 2]) is veroordeeld in de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg. En voorts verbindt
onderdeel 2.ddaaraan de klacht dat het hof ten onrechte ook ten aanzien van [eiser 1] de proceskosten in het principaal appel heeft gecompenseerd; in conventie is [eiser 1] weliswaar door [verweerster] in appel betrokken, maar hij was geen procespartij bij de vordering in conventie zoals beoordeeld en in reconventie was [bedoeld zal zijn:] [verweerster] in het ongelijk gesteld.
onderdeel 2.b). In dit spoor klaagt
onderdeel 2.cdat het hof met miskenning van de devolutieve werking van het appel heeft nagelaten een oordeel te geven over de subsidiaire ([eiseres 2] en [eiser 1]) en meer subsidiaire (alleen [eiser 1]) varianten van de vorderingen sub C. In dit spoor klaagt voorts
onderdeel 2.edat het hof in rov. 26 ten onrechte oordeelt dat Grief I in het principale appel geen bespreking behoeft, omdat daarmee subsidiaire ([eiseres 2] en [eiser 1]) en meer subsidiaire (alleen [eiser 1]) varianten van de vorderingen sub C buiten bespreking zijn gelaten. (Daarom is volgens dit onderdeel ook [eiseres 2] ten onrechte veroordeeld in de kosten van het incidentele appel. Zie ik het goed, dan wordt in de schriftelijke toelichting zijdens [eisers 1] nr. 26 dit laatste aspect van de klacht ingetrokken.)
onderdeel 3aheeft het hof miskend dat de vraag of sprake is een fatale termijn moet worden beoordeeld door uitleg van de contractstukken tussen verkopers en koper(s) aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het hof heeft ten onrechte onderzocht wat [verweerster] dienaangaande heeft mogen begrijpen.
[betrokkene 2] (namens verkopers)met deze e-mail de bedoeling heeft gehad om afstand te doen van het
in de allonge vastgelegde fatale karaktervan de (uiterste) leveringstermijn”; in de tiende volzin onder meer: “Indien
de verkopers de bedoeling haddengehad om door
een nadere afspraak met [eisers]het fatale karakter aan de (uiterste) leveringstermijn te ontnemen (hetgeen, zoals hiervoor is overwogen, niet het geval is geweest) had het op de weg van de verkopers gelegen het verzoek tot levering van [verweerster] te weigeren omdat er nog geen sprake was van verzuim aan de zijde van [eisers]”. Daaruit blijkt dat het hof goed voor ogen heeft gehad dat de allonge tussen [eiseres 2] en verkopers gold en dat [verweerster] slechts belang had bij de vraag of [eisers 1] in verzuim was.
Klacht 4. Voor zover de vierde klacht nog geacht moet worden zelfstandig te klagen over de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 20 dat [verweerster] er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat [eisers 1] haar verplichting tot tijdige afname van de 2e tranche tegenover de kopers niet zou nakomen, loopt zij bij gebrek aan onderbouwing waarom dit oordeel onbegrijpelijk is en daarbij behorende verwijzingen naar de stukken in feitelijke instanties stuk op de bepaaldheidseisen van art. 407 Rv Pro. Als onderbouwing kan niet meer gelden hetgeen wordt opgemerkt in de schriftelijke repliek nr. 1.