Voetnoten
1.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.
2.Inspecteur van de Belastingdienst/[P].
3.Na toepassing van de vrijstelling voor verkrijging door kinderen van € 19.000.
4.Zie voor diens instemming met sprongcassatie de brief van de Staatssecretaris van 24 januari 2013; bijlage bij het beroepschrift in cassatie.
23.Hoge Raad 26 september 1984, nr. 22 629,
24.EHRM 21 mei 2002, nr. 28856/95, EHRC 2002/56 met noot Heringa (
25.EHRM 24 november 2005, nr. 49429/99,
29.EHRM 26 juni 2012, nr. 9300/07,
33.EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11,
34.M.R.T. Pauwels, ‘Belasitngen en mensenrechtenverdragen: kroniek 2007-2011’,
35.N. Idsinga, ‘Geen verkrijging, toch belast’,
36.Zie onderdeel 4.2 van deze conclusie.
37.Zie 4.5.
38.Zie 4.9.
39.Zie 4.1.
40.Zie 4.10.
41.Vgl. de verdeelde lagere rechtspraak in 4.37- 4.39.
42.Zie bijvoorbeeld EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11,
43.Vgl. EHRM, 28 oktober 1987, nr. 8695/79,
44.Zie EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05 (
45.Zie M.R.T. Pauwels,
46.EHRM 5 januari 2000, nr. 33202/96,
47.Zie voor dit aspect van de ‘requirement of lawfulness’ 4.32, 4.34 en 4.35.
48.Zie 4.35.
49.Vgl. 4.42.
50.Zie 4.6 tot en met 4.8.
51.Vgl. voor de beoordelingsmarge 4.40en 4.41.
52.Aldus de vaste jurisprudentie van het EHRM; zie 4.36. Zo ook de Hoge Raad; zie 4.33.
53.Zie bijvoorbeeld EHRM 16 november 2010, nr. 24768/06,
54.Zie bijvoorbeeld EHRM 23 oktober 1997, nr. 117/1996/736/933-935 (
55.Zie bijvoorbeeld EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95 (
56.Zie 4.3.
57.Vgl. EHRM, 28 oktober 1987, nr. 8695/79,
58.Zie EHRM, 19 december 1989, nr. 10522/83 (
59.Vgl. EHRM 20 juli 2004, nr. 37598/97,
60.Zie 4.12, met name: ‘Betekent een en ander dat als een erflater op 31 december 2010 overlijdt, dat dan voor de waarde van de woning wordt uitgegaan van de waarde per 1 januari 2009?’ en het antwoord daarop in 4.13: ‘Uit de systematiek van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) vloeit inderdaad voort, zoals de genoemde leden stellen, dat bij een overlijden of een schenking in het jaar 2010 uitgegaan wordt van de waarde van de woning per 1 januari 2009.’
61.Zie 4.10. Vgl. 4.21: ‘De besparing op de uitvoeringskosten bij de Belastingdienst door met ingang van 2010 aan te gaan sluiten bij de WOZ-waarde zou hiermee grotendeels teniet worden gedaan. Overigens zijn er ook geen taxateurs meer werkzaam bij de Belastingdienst.’
62.Zie 4.10.
63.Zie 4.30.
64.Zie 4.31.
65.In voorkomende gevallen wordt bovendien rekening gehouden met veranderingen in de toestand van de woning tot aan het moment van de verkrijging; zie 4.4. Voor de goede orde zij daarbij opgemerkt dat de waardepeildatum daarmee niet verschuift.
66.Zie voor een sprekend voorbeeld 4.43.
67.Zie de schriftelijke toelichting van belanghebbende.
68.Vgl. conclusie A-G Van Ballegooijen 28 januari 2010, nr. 08/05036, ECLI:NL:PHR:2010:BL4320, punt 6.8: ‘Ficties en forfaits hebben altijd een zekere ruwheid in zich, waardoor de een beter af is en de ander juist slechter. Dat is nu eenmaal een gegeven. (…). Zolang de wetgever alle ter zake doende belangen maar voor ogen heeft gehad bij het maken van de afweging en er geen buitensporige last is komen te liggen op een belastingplichtige, is hiermee ook niets mis.’ 69.Zie 4.14 en 4.15.
70.Zie 4.16 tot en met 4.18.
71.Daaraan kan worden getwijfeld; zie 4.28 en 4.29.
72.Vooral ook dat de wetgever zich uitdrukkelijk heeft uitgesproken tegen terugwerkende kracht van de nieuwe regeling; zie 4.26 en 4.27.