Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.De 30%-bewijsregeling; wisseling van inhoudingsplichtig
BNB2006/263 t/m 266 met noot van Essers, valt af te leiden dat een werknemer voor de toepassing van de 30%-regeling op het moment van het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst in het buitenland dient te wonen en niet - anders dan in situaties als opleiding of stage - in Nederland werkzaam mag zijn. In het onderhavige geval was belanghebbende bij het aangaan op 31 maart 2003 van de dienstbetrekking als psychiater bij het in Nederland gevestigde Psychotherapeutisch Centrum A te R, woonachtig in België en reeds als arts-assistent in dienstbetrekking bij dat Centrum werkzaam. De staatssecretaris betoogde dat belanghebbende haar voor de toepassing van de 30%-regeling benodigde specifieke deskundigheid in Nederland al bij het Centrum als arts-assistent verworven had, zodat niet kon worden gesteld dat deze specifieke deskundigheid vanuit het buitenland was aangetrokken. Dat is een moeizame stelling. Niets verhindert een in het buitenland wonend persoon immers in Nederland - al dan niet in dienstbetrekking - een opleiding of stage te volgen en vervolgens weer terug naar het buitenland te gaan. Als hij/zij dan vervolgens in Nederland een dienstbetrekking aangaat, wordt die deskundigheid vanuit het buitenland aangetrokken. Dat zou slechts anders zijn als de desbetreffende werknemer in het kader van zijn opleiding of stage ook de verplichting op zich heeft genomen gedurende enige tijd in Nederland werkzaam te blijven. Dat de specifieke deskundigheid in Nederland is opgebouwd, doet evenmin ter zake. Hoogstens rijst de vraag hoe het komt dat ondanks het feit dat in Nederland specifieke deskundigheid wordt opgebouwd, die deskundigheid op de Nederlandse arbeidsmarkt kennelijk niet of schaars aanwezig is. Maar dat laatste was nu juist niet in geschil.