Conclusie
[verdachte]
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
eerste middelklaagt dat het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van een auto en de daarbij behorende kentekenpapieren gedurende maximaal 1 tot 1,5 minuut, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, kan worden aangemerkt als "voorhanden hebben" in de zin van art. 420bis Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. Het middel klaagt er voorts over dat het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr zonder dat het Hof heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die auto heeft bijgedragen aan verbergen of verhullen van de criminele herkomst.
tweede middelklaagt over het uitblijven van een beslissing over het al dan niet overschreden zijn van de redelijke termijn voor berechting.
“een expliciet verzoek aan het Hof te onderzoeken of in casu sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn”. Een verzoek is geen ter terechtzitting gevoerd verweer, zodat het aangevoerde het Hof niet tot een gemotiveerde beslissing noopte (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358).