Conclusie
middelbesproken.
Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat “indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd”. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen. In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.
eerste middelheeft betrekking op de verwerping door het Hof van het verweer dat verband houdt met het door de verdediging aangevoerde onrechtmatig binnentreden door politieambtenaren van de woning van de verdachte. Bij de verwerping zou het Hof het gevoerde verweer onjuist hebben weergegeven terwijl de verwerping van het verweer ook overigens onbegrijpelijk zou zijn.
tweede middelricht zich tegen een onderdeel van de overweging waarmee het Hof het beroep op onrechtmatig binnentreden heeft verworpen. Het Hof oordeelde daarbij dat bewijsuitsluiting een ‘te zware sanctie' zou zijn op het verzuim van de politieambtenaren om zich na het binnentreden alsnog te legitimeren. Die overweging wordt niet onbegrijpelijk ‘in een rechtsgemeenschap die waarde hecht aan het huisrecht’ zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd. Ook dit middel faalt.
derde middelbehelst de klacht dat het Hof het witgewassen bedrag niet heeft verminderd met de inkomsten die de verdachte met zijn weddenschappen bij de paardenraces heeft verdiend.
vierde middelbehelst de klacht dat in het arrest ‘geen enkel bewijsmiddel’ wordt aangedragen voor het feit dat de verdachte wist dat de witgewassen voorwerpen van misdrijf afkomstig waren.
vijfde middelbehelst de klacht dat het Hof de kwalificatieuitsluitingsgrond ook had moeten toepassen op het geldbedrag van € 160.096,63 nu het door de verdachte uitgegeven geld ‘in alleszins normale bedragen is besteed aan allerlei alledaagse dingen die kunnen worden geschaard onder het begrip aanwending “…zur Deckung eines existentielles Lebensbedarf des Vortäters” en dus niet als witwassen kunnen worden gekwalificeerd omdat het op deze wijze aanwenden van bedragen geen profijttrekking oplevert als door de wetgever bedoeld.’