ECLI:NL:PHR:2013:21
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurbetalingsverplichting met wederzijds goedvinden en gerechtvaardigd vertrouwen
In deze zaak staat centraal of de huurbetalingsverplichting van Roq Holding jegens eiser tot 1 juli 2005 liep of dat deze met wederzijds goedvinden is geëindigd. Roq Holding had kantoorruimte en parkeerplaatsen gehuurd van eiser en onderverhuurde deze aan eenmanszaak A Telecommunicatie, verbonden aan betrokkene 2. Na een gesprek op 19 juli 2005 stopte Roq Holding met huurbetalingen aan eiser, terwijl eiser betalingen van betrokkene 2 accepteerde.
Eiser vorderde betaling van achterstallige huur, maar Roq Holding stelde dat zij de huur had opgezegd en dat betrokkene 2 vanaf 1 juli 2005 rechtstreeks huurde van eiser. De kantonrechter wees de vordering toe, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat Roq Holding gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het beëindigen van haar betalingsverplichting per 1 juli 2005.
Eiser stelde in cassatie dat het hof onterecht rechtsverwerking had aangenomen en het bewijs onjuist had gewaardeerd. De Hoge Raad verwierp deze klachten, benadrukte dat het hof niet op rechtsverwerking had beslist maar op gerechtvaardigd vertrouwen op grond van art. 3:35 BW Pro. Het hof had het bewijs zorgvuldig gewogen, rekening houdend met gedragingen en verklaringen van partijen. Ook de financiële positie van betrokkene 2 was bekend en onderzocht.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof zijn oordeel voldoende motiveerde en dat het vertrouwen van Roq Holding gerechtvaardigd was. Het beroep van eiser werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huurbetalingsverplichting van Roq Holding jegens eiser per 1 juli 2005 is geëindigd op grond van gerechtvaardigd vertrouwen.