Conclusie
Inleiding
€ 600.000,- aan boetes aan [D] dienden te betalen en dat daarmee de vrijwaringszaken van hun processuele grondslag zijn beroofd. Het hof overwoog dat [verweerders] dit hebben onderkend en de wens te kennen hebben gegeven de oorspronkelijke vrijwaringszaken in appel voort te zetten als zelfstandige procedure en dat [verweerders] dienovereenkomstig hun eis hebben gewijzigd. Het hof overwoog dat tegen deze wijziging van eis geen bezwaar is gemaakt. (rov. 4.3.1 in verbinding met rov. 4.2.4)
Ontvankelijkheid van [eisers] in hun cassatieberoep
Het cassatiemiddel
aangezien beide dagvaardingen (vrijwel) woordelijk gelijkluidend zijn en de gedaagde in de jongste procedure [[eiseres 1]] kan worden beschouwd als de rechtsopvolgster van de burgerlijke maatschap waarin gedaagden 2, 4 en 6 [de individuele advocaten] tot 1 juni 2006 maten waren”. Op grond daarvan lag voeging (volgens [eisers]) om proceseconomische redenen voor de hand (zie nr. 3.3-3.4 van de conclusie van antwoord). Na één conclusie van repliek (die [verweerders] aanvingen met de opmerking dat zij van de rechtbank hebben begrepen dat de vrijwaringszaken vanwege verknochtheid op hun verzoek zijn gevoegd), gevolgd door één conclusie van dupliek (en aktenwisseling), heeft de rechtbank, als gezegd, twee tussenvonnissen in de twee afzonderlijke gedingen gewezen en vervolgens bij twee eindvonnissen de vorderingen van [verweerders] tegen [eiseres 1] onderscheidenlijk [A] afgewezen. De twee tussenvonnissen in de afzonderlijke vrijwaringszaken zijn evenals de twee, in de verschillende gedingen gewezen eindvonnissen woordelijk vrijwel gelijkluidend en op dezelfde dag uitgesproken.
indringendhad moeten waarschuwen voor het risico van het verbeuren van boetes. Aldus dit onderdeel.
indringendervoor had moeten waarschuwen dat [verweerders] bij voortzetting van de door hen ontplooide activiteiten het gerede risico liepen dat zij boetes zouden verbeuren hangt samen met de verwerping door het hof van het verweer dat de omstandigheid dat [verweerder 3] stellig ervan overtuigd was dat geen sprake was van enige strijdigheid met het concurrentiebeding niet tot aansprakelijkheid van [eiser 3] kan leiden. In ’s hofs kennelijke en niet onbegrijpelijke gedachtegang ligt besloten dat de omstandigheid dat hoe meer een cliënt overtuigd is van zijn ‘eigen gelijk’, hoe indringender deze moet worden gewaarschuwd voor een in rechte mogelijke andere uitkomst.