AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt onvoldoende bewijs voor noodzakelijke fabrikantconsultatie bij vogelbotsing en vluchtvertraging
Deze zaak betreft een cassatieberoep van Qatar Airways tegen twaalf vonnissen van de kantonrechter in Haarlem, waarin de vervoerder werd veroordeeld tot compensatie aan passagiers wegens annulering en vertraging van een vlucht van Amsterdam naar Doha.
De vertraging ontstond na een aanvaring met een vogel ('bird strike') tijdens de voorgaande vlucht, waarna het toestel moest worden geïnspecteerd. De vervoerder stelde dat deze gebeurtenis een buitengewone omstandigheid vormde die de compensatieplicht uitsloot, en dat het noodzakelijk was de fabrikant (Boeing) te raadplegen voor goedkeuring van herstelmaatregelen.
De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder onvoldoende had aangetoond dat de raadpleging van de fabrikant noodzakelijk was, omdat er gekwalificeerde technici op Schiphol aanwezig waren die de luchtwaardigheid hadden kunnen beoordelen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, omdat de vervoerder niet heeft onderbouwd waarom de fabrikant moest worden geraadpleegd en onvoldoende processtukken heeft overgelegd om dit te staven.
De Hoge Raad benadrukt dat motiveringsklachten die de juistheid van de feitenbeoordeling betreffen, niet ontvankelijk zijn in cassatie. De vervoerder is ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep vanwege de nauwe samenhang van de zaken, maar de inhoudelijke klachten worden verworpen. De compensatieveroordelingen van de kantonrechter blijven daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vervoerder wordt verworpen; compensatieveroordelingen blijven in stand.
Voetnoten
1.Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91.
2.Zie rov. 2.1-2.4, 3.1-3.2 en 4.1-4.2 van de bestreden vonnissen.
3.Met de volgende zaak-/rolnummers: 8318374 \ CV EXPL 20-1506, 8258036 \ CV EXPL 20-316, 8258053 \ CV EXPL 20-318, 8258232 \ CV EXPL 20-323, 8258250 \ CV EXPL 20-324, 8258287 \ CV EXPL 20-326, 8258294 \ CV EXPL 20-327, 8373470 \ CV EXPL 20-2356, 8373500 \ CV EXPL 20-2357, 8373540 \ CV EXPL 20-2361, 8373565 \ CV EXPL 20-2363 en 8373618 \ CV EXPL 20-2365.
4.De vonnissen zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
5.HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
6.HvJEU 4 mei 2017, C-315/15, ECLI:EU:C:2017:342.
7.In de zes vonnissen van 21 april 2021 ontbreekt deze overweging. Blijkens het door de vervoerder gefourneerde procesdossier is productie 6 ook niet overgelegd in die procedures.
11.Zie HR 21 juni 2013, reeds aangehaald, rov. 4.3.
13.Vgl. HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2016, NJ 1996/639, m.nt. W.M. Kleijn; HR 2 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2770, NJ 2001/686; HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0973, NJ 2004/239 en nr. 14-16 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense (ECLI:NL:PHR:2013:24) vóór HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:848, RvdW 2013/1161. Anders: HR 23 december 2005, NJ 2007/162, m.nt. H.J. Snijders. Zie over dit onderwerp ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/210; B.T.M. van der Wiel m.m.v. M.M. Stolp, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/216. 15.Zie supra voetnoot 7.
17.Zie o.a. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/90.
19.Zie o.a. Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/88.
20.Zie nr. 3.3 en 5.2 van de conclusie van antwoord.
21.Zie nr. 2.1-2.5 van de conclusie van dupliek.
22.Zie nr. 2.7 van de conclusie van dupliek.
23.Zie nr. 2.8 van de conclusie van dupliek, zoals genomen in de procedures die hebben geleid tot de vonnissen van 14 en 28 april 2021. Deze stellingen ontbreken in de conclusie van dupliek, zoals genomen in de overige procedures.
25.Zie o.a. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686, m.nt. M.M. Mendel, rov. 3.3; HR 10 maart 2017, reeds aangehaald, rov. 3.3.2. Zie ook C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer & H.J. Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/146. 26.Zie nr. 2.1-2.5 van de conclusie van dupliek.
27.Zie nr. 15 van de schriftelijke toelichting.