De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 dagen, waarvan 35 voorwaardelijk, wegens gewoontewitwassen. De verdediging betoogde dat het geld afkomstig was uit gokwinsten, maar dit werd door het hof verworpen op basis van getuigenverklaringen en bewijsstukken zoals contant geld en facturen.
De raadsman van de verdachte stelde in cassatie dat het hof niet voldoende had beslist op zijn uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en dat het bewijs ontoereikend was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk met redenen omkleed op het standpunt had beslist en dat het bewijs niet onbegrijpelijk was.
Daarnaast klaagde de verdediging dat het hof ten onrechte had geweigerd om de minister van Veiligheid en Justitie en de CEO van Holland Casino als getuigen te horen over de administratieve gang van zaken en vermeende medeschuld. De Hoge Raad stelde dat het hof de juiste maatstaf had gehanteerd en dat het niet horen van deze getuigen de verdediging niet had geschaad.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn was overschreden, maar verbond hieraan geen rechtsgevolgen gezien de geringe straf en de mate van overschrijding. Het cassatieberoep werd verworpen.