Conclusie
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel
Inzet IMSI-catcher
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is door het Hof te ’s-Gravenhage verdachte veroordeeld wegens poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het bewijs onvoldoende was gemotiveerd en dat de inzet van een IMSI-catcher om hem te lokaliseren onrechtmatig was.
Het hof had geoordeeld dat de inzet van de IMSI-catcher beperkt was tot het bepalen van de locatie van de GSM-telefoon van verdachte, zonder dat werd waargenomen wat hij deed of zei, en dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer daardoor gering was. Het hof vond dat art. 2 Politiewet Pro 1993 een toereikende wettelijke grondslag bood voor deze inzet, mede gezien de korte duur en toestemming van de OvJ.
De Hoge Raad stelt dat art. 126nb Sv en art. 3.10 Telecommunicatiewet (oud) het gebruik van een IMSI-catcher beperken tot het verkrijgen van het nummer van de gebruiker, en dat de inzet voor lokalisatie niet specifiek geregeld is. De politie mag de IMSI-catcher alleen inzetten binnen de wettelijke kaders, waarbij de inbreuk op grondrechten beperkt moet zijn. Hoewel het hof het gebruik van de IMSI-catcher niet onjuist heeft beoordeeld in dit geval, is het oordeel juridisch niet onomstreden. Het cassatieberoep faalt, maar de Hoge Raad wijst op overschrijding van de redelijke termijn, wat strafvermindering rechtvaardigt.
De conclusie van de Procureur-Generaal is vernietiging van de strafoplegging en vermindering van de straf, met verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep tegen de bewezenverklaring en oordeelde dat de inzet van de IMSI-catcher niet onrechtmatig was, maar vernietigde de strafoplegging wegens termijnoverschrijding en matigde de straf.