Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de rechtmatigheid van het gebruik van een IMSI-catcher centraal, een technisch hulpmiddel waarmee het geografisch gebied kan worden afgebakend waarbinnen een GSM-telefoon zich bevindt. De verdachte werd met toestemming van de Officier van Justitie gelokaliseerd en aangehouden.
De verdediging stelde dat de inzet van de IMSI-catcher onrechtmatig was omdat hiervoor geen specifieke machtiging was gegeven en het gebruik niet was geregeld in art. 126nb (oud) Sv. De Hoge Raad bevestigde dat art. 126nb Sv slechts ziet op het verkrijgen van het nummer waarmee een gebruiker wordt geïdentificeerd, niet op lokalisatie. De inzet van de IMSI-catcher buiten die regeling is niet specifiek in de wet geregeld, maar kan op grond van art. 2 Politiewet Pro 1993 (thans art. 3 Politiewet Pro 2012) en art. 141 en Pro 142 Sv worden toegestaan mits de inbreuk op grondrechten beperkt is.
Het hof had geoordeeld dat de inbreuk op de privacy van de verdachte beperkt was, mede vanwege de korte duur van de inzet, en dat art. 2 Politiewet Pro een toereikende grondslag bood. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatiemiddel. Wel werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde deze vast op zes jaren gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de IMSI-catcher en vermindert de gevangenisstraf tot zes jaren wegens termijnoverschrijding.