ECLI:NL:PHR:2013:609
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 12a Wet Vpb bij belangwijziging en herinvestering binnen één boekjaar
Deze zaak betreft de toepassing van artikel 12a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) inzake het verval van een herinvesteringsreserve (HIR) bij wijziging van het belang in een HIR-lichaam. De belanghebbende heeft in 2008 onroerend goed vervreemd en geherinvesteerd in ander onroerend goed, waarbij de herinvestering plaatsvond nadat het belang in de vennootschap was gewijzigd. De vraag was of de boekwinst op het onroerend goed in 2008 tot de fiscale winst moest worden gerekend.
De Rechtbank oordeelde dat het materiële belang al vóór de herinvestering was overgegaan, waardoor de HIR vrijviel en niet kon worden afgeboekt op de herinvesteringen. Het Gerechtshof Arnhem vond art. 12a Wet Vpb niet van toepassing omdat de HIR pas aan het einde van het boekjaar wordt gevormd en in dit geval al was geherinvesteerd, zodat geen HIR kon vrijvallen. De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat ook bij vervreemding en herinvestering binnen hetzelfde boekjaar de HIR minstens een kortstondig bestaan (Planck-moment) heeft voordat deze wordt afgeboekt of vrijvalt. Omdat vaststaat dat het belang vóór de herinvestering is gewijzigd, moet de HIR aan de winst worden toegevoegd. Indien de Hoge Raad anders oordeelt, moet de zaak worden verwezen wegens het niet behandelen van een subsidiaire stelling over de boekwaarde-eis. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep gegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en bevestigt dat de herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd bij belangwijziging voorafgaand aan herinvestering binnen hetzelfde boekjaar.