ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1712
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale gevolgen vervreemding pand en aandelen binnen fiscale eenheid
In deze zaak staat centraal of de boekwinst behaald bij de verkoop van een bedrijfspand door een dochtervennootschap binnen een fiscale eenheid kan worden afgeboekt op de aanschafprijs van vervangende onroerende zaken of via een herinvesteringsreserve (HIR), en welke fiscale gevolgen de ontvoeging van die dochtervennootschap heeft.
De dochtervennootschap [Y BV] verkocht in 2005 een pand met aanzienlijke boekwinst en kocht vervolgens vervangende panden. Op dezelfde dag werden de aandelen van [Y BV] verkocht en vond de ontvoeging uit de fiscale eenheid plaats. Belanghebbende stelde dat de boekwinst niet tot haar belastbare winst behoorde omdat de herinvestering binnen de fiscale eenheid had plaatsgevonden en/of omdat een HIR gevormd kon worden.
Het Hof oordeelde dat het economische belang in [Y BV] op het moment van aandelenlevering was gewijzigd, vóór de levering van de vervangende panden. Hierdoor kon de boekwinst niet worden afgeboekt op de aanschafkosten van de nieuwe panden. Ook kon geen HIR worden gevormd op het ontvoegingstijdstip omdat de aanschafkosten nog niet waren geactiveerd. De sanctiebepaling van artikel 15e Wet Vpb was van toepassing, waardoor de boekwinst bij belanghebbende als moedermaatschappij in de winst viel. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel verworpen. De heffingsrente werd terecht in rekening gebracht.
Uitkomst: De boekwinst op de verkoop van het pand valt toe aan belanghebbende en kan niet worden afgeboekt via ruilarresten of een herinvesteringsreserve.