Conclusie
1.Inleiding
2.Inzet van de procedure en feiten
3.Procesverloop
4.Ontvankelijkheidsperikelen
gezamenlijkworden aangeduid als “de maatschap”.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Grief 1houdt in dat Farmerhoeve niet-ontvankelijk is ter zake van vorderingen ontstaan voor 10 februari 1993, zijnde de datum waarop de heer [betrokkene 3] namens de toen nog in oprichting verkerende Farmerhoeve de exploitatieovereenkomst aanging met [betrokkene 2].
“Voor zover de storting op aandelen bestaat uit inbreng anders dan in geld is de oprichter tot onverwijlde inbreng verplicht”.
onderdeel I.1(a)geeft het in rov. 8 van het tussenarrest gegeven oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel betoogt in dit verband onder meer dat het met grief 1 in het principaal appel aangevoerde verweer een radicale koerswijziging inhoudt, waarbij [verweerder] een standpunt poneert dat tegengesteld is aan het standpunt dat hij in eerste aanleg heeft ingenomen. Volgens het onderdeel dient de appelrechter bij een kwestie als de onderhavige in aanmerking te nemen dat op basis van het aanvankelijk ingenomen standpunt door partijen uitvoerig is gedebatteerd, bewijslevering heeft plaatsgevonden en op bevel van de Rechtbank een deskundigenbericht is uitgebracht. Het onderdeel stelt dat in gevallen als deze dan ook beslissend is dat het verweer zoals dat met grief 1 in principaal appel is aangevoerd, niet in het verlengde ligt van de eerdere rechtsstrijd. Verder zou door de radicale koerswijziging in hoger beroep aan Farmerhoeve een feitelijke instantie ontnomen zijn.
kan en magverbinden dat deze partij het recht heeft verloren voor het eerst in appel een bepaald standpunt in te nemen”. De in het citaat ambtshalve toegevoegde cursivering doet de vrijheid van de rechter uitkomen.
op zich beschouwdwel enig begrip valt op te brengen. Maar ook niet veel meer dan enig begrip, nu het Hof er met juistheid op wijst dat ook Farmerhoeve zich op ruime schaal aan het door haar thans bestreden euvel heeft bezondigd. Hier geldt het adagium: de pot verwijt de ketel (en niet het adagium dat het onderdeel allicht op het oog had: wie vrij van zonden is, werpe de eerste steen).
medegelet op de omstandigheid dat ook Farmerhoeve in deze lang slepende procedure vele malen nieuwe stellingen en verweren betrokken heeft en haar eis gewijzigd heeft, ook ambtshalve geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het voeren van het nieuwe verweer van [verweerder] in strijd is met de goede procesorde, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (zie ook hierboven, bij de bespreking van onderdeel I.1(a)).
primairestelling ligt besloten dat de heer [betrokkene 3] de gehele rechtsverhouding tot [verweerder] bij wijze van contractsoverneming (art. 6:159 BW Pro) heeft doen overgaan op Farmerhoeve die daarmee contractspartij van [verweerder] is geworden en aldus de ‘
rechten en verplichtingen’ uit deze huurovereenkomst aan haar waren overgedragen op grond waarvan Farmerhoeve als rechtsopvolgster onder bijzondere titel dan ook (al) bevoegd was de uit die overeenkomst voortvloeiende vorderingen in te stellen.” Volgens het onderdeel heeft [verweerder] de juistheid van die stelling in de toelichting op grief 1 in principaal appel niet als zodanig bestreden en dient in cassatie daarom veronderstellenderwijs van de juistheid van die stelling te worden uitgegaan.
nietterug te komen op zijn eerdere eindbeslissing, [10] staat ’s Hofs oordeel m.i. als een huis. ‘s Hof oordeel is uitvoerig en m.i. overtuigend gemotiveerd. Daarop ketsen de klachten van onderdeel 1.4 af. Het lijkt mij daarom niet nodig die klachten hier in extenso weer te geven.
Onderdeel I.4(a)betoogt dat het beroep van Farmerhoeve op de akte van inbreng, geen ‘nieuwe stelling’ behelsde. Volgens het onderdeel diende het betoog van Farmerhoeve dat ook de vorderingen van vóór 1993 met de inbrengakte door [betrokkene 3] bij wijze van cessie aan haar waren overgedragen, te worden aangemerkt als een stelling die in het verlengde lag van de al door partijen omlijnde rechtsstrijd en die binnen die grenzen ook voor de hand lag. Het Hof heeft, zo stelt het onderdeel, dan ook ten onrechte geoordeeld dat het bij pleidooi gedane beroep op de inbrengakte in strijd is met de ‘in beginsel strakke regel’ dat grieven, eisvermeerderingen en uitbreidingen van het verweer, behoudens uitzonderingen, uitsluitend kunnen plaatsvinden in de eerste conclusie in hoger beroep. Deze ‘in beginsel strakke regel’ leidt immers uitzondering in een geval waarin het betrokken novum in het verlengde ligt van de reeds door partijen gevoerde rechtsstrijd in appel, aldus het onderdeel.
onderdeel II.1(b)bouwen – zoals het onderdeel zelf ook vermeldt – voort op het betoog van het voorgaande onderdeel. Daarmee is ook het lot van deze klachten bezegeld.
nietgefactureerd werd via de Bond verplicht was om Farmerhoeve van de betreffende dekkingen op de hoogte te stellen, mee zou brengen dat [verweerder] in de gevallen
waarin opdracht werd gegeven tot facturering via de Bond, verplichtingen had ten aanzien van de afrekening tussen de Bond en Farmerhoeve. ’s Hofs oordeel in rov. 33 van het tussenarrest ziet, zoals uit met name ook uit rov. 32 blijkt, op de situatie waarin door de Bond had moeten worden gefactureerd.
Het aankruisen van het onjuiste btw tarief
Niet overeengekomen kortingen op het dekgeld
toegestaan. De thans bestreden rov. 63 ziet op een andere vraag: kan de gewijzigde eis worden
toegewezen. Het Hof legt ampel uit waarom deze laatste vraag ontkennend moet worden beantwoord. Tegen de daarvoor bijgebrachte gronden wordt geen (begrijpelijke) klacht gericht. Op dit een en ander loopt het onderdeel stuk.
6.Afronding
- niet-ontvankelijkverklaring van [eisers 2 en 3] in hun cassatieberoep in het geding tussen Farmerhoeve en [verweerder];
- tot verwerping van het beroep voor het overige.