Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.1is ’s Hofs oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel noemt daarvoor twee redenen. Ten eerste: het doet helemaal niet ter zake wanneer de levering van de woning heeft plaatsgevonden; vraag is – aldus het onderdeel – of de derde koopovereenkomst (van juli 2008) wegens dwaling vernietigbaar is. Ten tweede valt, volgens het onderdeel, niet in te zien, althans niet zonder meer, waarom [verzoekers] het risico dragen van een eventuele schending van een ten tijde van het sluiten van deze koopovereenkomst voor [verweerder] bestaande spreekplicht. Het onderdeel stelt in dit verband dat de koopovereenkomst van 25 augustus 2007 ontbonden was en dat de koopovereenkomst van juli 2008 in zoverre een nieuwe en zelfstandige overeenkomst is. Het stond [verzoekers] vrij om al dan niet nogmaals met [verweerder] te contracteren. Volgens het onderdeel is dan ook niet in te zien, in elk geval niet zonder meer, waarom er bij het sluiten van de derde koopovereenkomst (van juli 2008) tussen [verweerder] en [verzoekers] niet zou hebben gegolden wat ook bij een verkoop aan een andere partij zou hebben gegolden, namelijk dat men door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst zijn gedrag mede moet laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij en men aldus een gehoudenheid heeft om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat de wederpartij onder invloed van onjuiste veronderstellingen een wilsverklaring aflegt. Het onderdeel stelt dat de ontwikkelingen in de onderlinge verhouding tussen [verweerder] en [verzoekers] die voorafgaand aan het sluiten van de derde koopovereenkomst hadden plaatsgevonden, niet althans niet zonder meer, meebrachten dat [verweerder] geheel of gedeeltelijk ontheven was van een op hem rustende spreekplicht.
wellichthebben kunnen dragen. Ik benadruk “wellicht” omdat hetgeen onder 4.4 werd vermeld niet hele verhaal is. In de visie van [verweerder], die door het Hof is gehonoreerd, moeten [verzoekers] wel degelijk de boete betalen. Het moge dus zo zijn dat [verweerder] op een tussengelegen moment bereid was om af te zien van inning van de boete, later was dat niet meer zo. Bij die stand van zaken is aanzienlijk minder evident dat en waarom de onder 4.3 en 4.4 aan het Hof toegeschreven oordelen voldoende klemmend zijn om tot het door het Hof genoemde resultaat te komen.
tweedelid, BW de derde, in juli 2008 gesloten koopovereenkomst niet wegens dwaling vernietigbaar is (in verband met de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval), is dit oordeel in het licht van subonderdeel 1.1 onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ten onrechte niet, althans onvoldoende (toereikend), gemotiveerd.” [6]
onderdeel 2richten zich hoofdzakelijk tegen rov. 13. Deze rechtsoverweging luidt:
,vanaf
“Ten onrechte passeren”) richt zich tegen het oordeel van het Hof in rov. 14 dat voorbijgegaan dient te worden aan het bewijsaanbod van [verzoekers] omdat dit geen betrekking heeft op concrete zich voor bewijslevering lenende feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Volgens het onderdeel is het Hof daarmee ten onrechte voorbijgegaan aan het bewijsaanbod dat [verzoekers] in hun memorie van grieven (op p. 2 en op p. 4) hebben gedaan.
als vaststaandaangenomen. Dat blijkt heel duidelijk uit de tekst van de genoemde rechtsoverweging (“volgens [verweerder]”).
vaststaandmogen aannemen. Het bestreden arrest biedt geen aanknopingspunt voor de gedachte dat het Hof dit alles heeft miskend. Voor zover nodig valt daarbij nog te bedenken dat [verzoekers] in cassatie ook niet stellen dat de in rov. 13 vermelde stelling van [verweerder] onjuist zou zijn.
onderdelen 2.6.1 t/m 2.6.4.
níetvaststelt dat die waardedaling niet mede het gevolg is van de (mogelijke) aanleg van de rondweg. Volgens het onderdeel heeft het Hof in rov. 13 bovendien tot uiting gebracht dat de (verwachte) verkeersintensiteit mede ten grondslag ligt aan de geschatte waarde van de woning.
geen concreteinformatie verschaft over vraag wat de invloed is van de aanleg van de rondweg op deze verkeersintensiteit. Het oordeel van het Hof dat [verzoekers] onvoldoende hebben aangedragen en hebben aangeboden te bewijzen om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van een ook maar enigszins relevante waardedaling van de woning is derhalve, ook in het licht van de hier besproken stellingen, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
orde zijnde vorderingenslechts toewijsbaar kunnen zijn indien komt vast te staan dat de (voorgenomen) aanleg van de rondweg leidt tot waardevermindering van de woning. De tweede stelling is in het geheel niet onderbouwd en is reeds daarom door het Hof terecht ongegrond bevonden.
onderdelen 3.2 en 3.3sluit aan bij het betoog van onderdeel 3.1. Deze klachten falen op de gronden vermeld bij de bespreking van dat eerdere onderdeel.
onderdeel 4mist zelfstandige betekenis.